Instructieregel Rijk over gebruik hoofd(spoor)wegen
De gemeente mag in het omgevingsplan geen regels stellen, die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur of van wegen in beheer bij het Rijk belemmeren (artikel 5.163, Besluit kwaliteit leefomgeving).
Hoofdspoorweginfrastructuur
De hoofdspoorweginfrastructuur bestaat uit spoorweginfrastructuur, waarbij de spoorwegen als hoofdspoorwegen zijn aangewezen (begripsomschrijving bijlage Omgevingswet in combinatie met artikel 1, lid 1, van de Spoorwegwet). Hoofdspoorwegen zijn de spoorwegen die in artikel 2 van de Spoorwegwet worden aangewezen (begripsomschrijving bijlage Omgevingswet).
De aangewezen hoofdspoorwegen zijn spoorwegen:
- die uitsluitend of overwegend bestemd zijn voor openbaar personenvervoer of goederenvervoer voor internationale, nationale of regionale verbindingen
- waarvoor de Staat rechthebbende is van de spoorweg of als beheerder een recht heeft van gebruik, huur of pacht van de spoorweg
Het begrip omvat niet alleen de spoorweg met de benodigde technische voorzieningen, maar ook de perrons, de toegangswegen en de dienstgebouwen. Delen van stations die niet noodzakelijk zijn voor het vervoer, vallen hier niet onder, bijvoorbeeld aanwezige detailhandel en horeca.
Wegen in beheer bij het Rijk
De meeste snelwegen (A-wegen) in Nederland zijn wegen in beheer bij het Rijk. Daarnaast beheert het Rijk een aantal autowegen (N-wegen). Een overzicht van wegen in beheer bij het Rijk staat in het Wegenoverzicht op de website van Rijkswaterstaat. De weg omvat niet alleen de rijbaan; ook bijvoorbeeld de bruggen, tunnels, duikers, bermen, glooiingen en geluidreducerende voorzieningen vallen binnen de begripsomschrijving van 'weg' in de bijlage bij de Omgevingswet.
Betekenis voor het omgevingsplan
De instructieregel (artikel 5.163, Besluit kwaliteit leefomgeving) ziet op alle regels in het omgevingsplan, die het gebruik, de instandhouding, de verbetering en de vernieuwing van hoofdspoorweginfrastructuur en wegen in beheer bij het Rijk rechtstreeks belemmeren, ongeacht het oogmerk daarvan.
De instructieregel werkt niet alleen door in de regels die de gemeente stelt over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, lid 1, Omgevingswet), maar ook in lokale regels over activiteiten. Het omgevingsplan mag geen regels stellen, die belemmeringen vormen voor:
- het uitvoeren van (nachtelijke) werkzaamheden door of namens de beheerder van de hoofdspoorweg of weg
- het verstrekken van brandstoffen of energie aan voertuigen
- de verlichting
- het gebruik van verzorgingsplaatsen
- de toegang tot stations voor personen
- de toegang tot voorzieningen voor het betalen voor het vervoer
Ook een eventuele lokale omgevingswaarde voor bijvoorbeeld luchtkwaliteit moet zo gesteld worden dat deze het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg niet belemmert.
Indirecte gevolgen door regels in het omgevingsplan
Wijzigingen in de omgeving van infrastructuur hebben soms ook indirecte gevolgen voor de hoofdspoorweginfrastructuur of wegen in beheer bij het Rijk. Een voorbeeld is het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot extra verkeersaanbod of van nieuwe bouwwerken naast de (spoor)weg die de bestuurder of machinist zouden kunnen afleiden. Op zulke belemmeringen is de instructieregel niet van toepassing.
De gemeente moet deze indirecte gevolgen wel betrekken bij de besluitvorming over het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 2.1, lid 2, en artikel 2.2, lid 1, van de Omgevingswet.