Cultureel erfgoed en werelderfgoed in de omgevingsverordening
De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen uitwerken in haar omgevingsverordening. Ook stelt de provincie in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen.
Kernkwaliteiten van werelderfgoed
De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen uitwerken in haar omgevingsverordening Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup). Het gaat om de werelderfgoederen:
- Droogmakerij de Beemster
- Hollandse Waterlinies (Stelling van Amsterdam en Nieuwe Hollandse Waterlinie)
- Schokland en omgeving (nieuw per 1 januari 2026)
- Neder-Germaanse Limes (voorheen genoemd Romeinse Limes)
- Koloniën van Weldadigheid
Dit volgt uit artikelen 7.3 en 7.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup).
De hoofdlijnen van de kernkwaliteiten zijn beschreven in bijlage XVII van het Bkl. Deze kernkwaliteiten zijn een vertaling van de uitzonderlijke universele waarde naar de in hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige cultureel erfgoed en landschap. De kernkwaliteiten zijn zo een middel om de uitzonderlijke universele waarde te behouden, en geen doel op zich.
De provincie werkt de kernkwaliteiten in de omgevingsverordening nader uit in concrete en toetsbare kwaliteiten op basis van de lokale omstandigheden. Dit is nodig voor een helder toetsingskader voor omgevingsplannen, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en projectbesluiten die mogelijke gevolgen hebben voor het behoud van de werelderfgoederen. De provincie kan de kernkwaliteiten uitwerken in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Geometrische begrenzing
De geometrische begrenzingen van deze werelderfgoederen zijn opgenomen in bijlage III bij artikel 2.42 van de Omgevingsregeling.
Instructieregels voor de bescherming van de kernkwaliteiten
Om de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen in stand te houden en te versterken moet de provincie in de omgevingsverordening (instructie)regels stellen over omgevingsplannen, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en projectbesluiten van de provincie of het waterschap (artikel 7.4, leden 3 en 4, Bkl).
De provincies moeten in hun omgevingsverordening zodanige regels stellen dat het resultaat daarvan is dat omgevingsplannen, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en projectbesluiten van waterschappen en de provincie zelf, geen activiteiten toelaten die de kernkwaliteiten aantasten.
Een activiteit kan invloed hebben op de kernkwaliteiten als geheel of op afzonderlijke onderdelen. Specifieke aandacht verdienen projecten met grootschalige ruimtelijke gevolgen, zoals stads- of dorpsuitbreidingen, glastuinbouwlocaties, infrastructuur, bedrijventerreinen, hoogbouw, windturbines, zonnepaneelvelden, waterbergingsgebieden, natuurontwikkeling en werkzaamheden in de ondergrond. Deze projecten kunnen door de schaal van hun functionele en visuele uitstraling een grote invloed hebben op de kernkwaliteiten.
Ontheffing van instructieregels en afwijken bij projectbesluit
In de omgevingsverordening kan een bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing van de instructieregels worden opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen alleen ontheffing verlenen voor zover een activiteit weliswaar de nader uitgewerkte kernkwaliteiten aantast, maar dat in overeenstemming is met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed. Een ontheffing mag dus niet in strijd zijn met internationale verplichtingen.
Ook kan de omgevingsverordening bepalen dat door Gedeputeerde Staten van de regels kan worden afgeweken bij het vaststellen van een projectbesluit. Voorwaarden hierbij zijn dat:
- het gaat om een project dat onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met die regels; en
- in het projectbesluit rekening wordt gehouden met de nader uitgewerkte kernkwaliteiten.
Naast deze 2 eisen geldt ook voor het projectbesluit dat het de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed niet mag aantasten. Dit is geregeld in artikel 7.4, lid 5, Bkl. Een uitgebreide toelichting vindt u in Staatsblad 2025, 284.
Provinciale stads- en dorpsgezichten
Provincies kunnen in hun omgevingsverordening beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurhistorisch waardevolle gebieden aanwijzen. Dit doen ze door regels in de omgevingsverordening op te nemen over cultuurhistorische waarden.
Meer informatie
Uitzonderlijke universele waarde (OUV) van de werelderfgoederen.
Omgevingsverordening
Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
Artikel 2.6, Omgevingswet bepaalt dat er voor het grondgebied van de provincie 1 omgevingsverordening is waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de 4 algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) onder de Omgevingswet.