Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Contact
  • Stel uw vraag
Informatiepunt Leefomgeving (naar homepage)
Zoeken in deze site
  1. Home ›
  2. Thema's ›
  3. Praktijksituaties - Toepassing regels in de praktijk ›
  4. Veehouderijen ›
  5. Beweiden
  • Home
  • Actueel
  • Regelgeving
  • Thema's
  • Digitaal stelsel
  • Contact
  • Contact
  • Stel uw vraag

Beweiden

Voor melkrundveestallen gelden emissiegrenswaarden voor ammoniak. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dieren die worden beweid en dieren die niet worden beweid (opstallen). Hieronder vindt u een aantal handvatten om te bepalen of de veehouder de koeien (melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) beweidt.

Historie beweiden

De term 'beweiden' komt uit de voormalige Regeling ammoniak en veehouderij. In de toelichting van deze regeling werden 3 vormen van beweiden genoemd:

  • onbeperkt weiden
  • beperkt weiden
  • siëstabeweiding

Het gaat in alle 3 de gevallen om beweidingssystemen, waarbij het vee een aantal maanden (zomerperiode) een substantieel deel van de dag buiten het dierenverblijf is.

Beweiden in de regelgeving

Voor stallen met melkrundvee gelden emissiegrenswaarden voor ammoniak. Deze staan in artikel 4.818 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen dieren die worden beweid en dieren die niet worden beweid (opstallen). Het bevoegd gezag moet zelf beoordelen of er sprake is van beweiden of van opstallen.

In bijlage VI van de Omgevingsregeling staat beweiden ook als aanvullende techniek voor rundvee. Deze aanvullende techniek heeft een reductiepercentage van 20% voor fijnstof. Er staat geen reductiepercentage voor ammoniak. De reden daarvoor is dat beweiden geen maatregel is om aan de emissiegrenswaarde voor ammoniak bij melkkoeien en kalfkoeien te voldoen

Let op: Voor de natuurvergunning kan in Aerius wel worden gerekend met een reductiepercentage voor ammoniak voor beweiden. Tot 1 januari 2024 stond beweiden als PAS-maatregel in bijlage 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij. De eis hiervoor was minimaal 720 uur beweiden in een kalenderjaar.

Handvatten beoordelen beweiden

Om te beoordelen of de veehouder de koeien (melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar) beweidt, staan hieronder een aantal indicatoren. Het is niet zo dat u op basis van één indicator de conclusie kunt trekken of er sprake is van beweiden. Het gaat vaak om een combinatie van indicatoren. Naast de indicatoren hieronder kunnen er ook andere factoren aanwezig zijn, die u bij uw conclusie moet betrekken.

1. Weidegrond

Een belangrijke indicator is de hoeveelheid weidegrond die bereikbaar is voor de koeien. Een veehouder kan verschillende beweidingssystemen hanteren. Het is goed mogelijk beweiding toe te passen op een relatief klein perceel weidegrond. Bijvoorbeeld met het rantsoensysteem. Hierbij krijgt het vee elke dag een vers stuk grasland ter beschikking. De veehouder maait deze stukken grasland ook incidenteel en kuilt het gras in.

Voor beweiden kan grofweg een aantal van 6 tot 8 koeien per hectare worden aangehouden. Als er meer dan 8 koeien per hectare lopen, is het raadzaam om kritisch te kijken of op er nog wel sprake is van beweiding. Bij een groot aantal koeien per hectare kan sprake zijn van een ‘uitloopweide'. Een uitloopweide is een perceel grasland van beperkte omvang, waarin voor de melkkoe geen of nauwelijks gras aanwezig is. Deze weide wordt in dat geval min of meer gebruikt voor extra bewegingsvrijheid en frisse lucht voor de koe.

Als er alleen een ‘uitloopweide' aanwezig is, is het niet aannemelijk dat de gehele veestapel een substantieel deel van de dag buiten het dierenverblijf aanwezig is. Het veebestand zal in dat geval namelijk een geruime tijd in de stal aanwezig zijn om voldoende te eten en te drinken.

Welk beweidingssysteem de veehouder toepast, is afhankelijk van de plaatselijke en persoonlijke omstandigheden.

Plaatselijke omstandigheden zijn bijvoorbeeld:

  • grondsoort (veengrond/zandgrond)
  • verhouding hoge/lage percelen (droog en nat)
  • weersomstandigheden

Persoonlijke omstandigheden zijn zaken als:

  • Beschikbare arbeid. Elke dag rantsoeneren vergt meer arbeid.
  • Mogelijkheid tot indeling grasland (sturing). Rantsoeneren vergt meer sturing. Daarvoor is meer nadenkwerk nodig. De veehouder moet een goede inschatting maken van de grasgroei, de grasbehoefte van het vee, enzovoort.

2. Aantal koeien

Hoe meer koeien binnen het bedrijf, hoe kleiner de kans dat er beweiding plaatsvindt. Als er veel koeien aanwezig zijn waarbij beweiden wordt toegepast (bijvoorbeeld meer dan 150 stuks) moet er veel weidegrond zijn. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat de afstand tussen de stal en het perceel grasland zo groot wordt dat het niet efficiënt is om de koeien deze afstand te laten overbruggen. Hoe groter de veestapel, hoe lastiger het wordt om een goed beweidingsplan uit te stippelen. De veehouder is bij een grote veestapel veel meer afhankelijk van de grasgroei, droogte/natte van de percelen, weersinvloeden, enz. Als alles niet optimaal verloopt, lukt het de veehouderij niet om zijn koeien buiten aan het grazen te houden.

3. Melkrobot

Een combinatie van melken met een robot en beweiden is mogelijk, maar vraagt de nodige aandacht van de veehouder. Het is namelijk de bedoeling dat het vee uit eigen beweging de melkrobot in loopt. Hoe groter de afstand tussen de melkrobot en de weidegrond, hoe kleiner de kans dat de koe naar de melkrobot gaat. Het is in die situatie niet aannemelijk dat het vee een substantieel deel van de dag in de wei loopt.

Meer informatie over het combineren van het melken met een robot en beweiden staat in de brochure Robot & Weiden.

4. Vee in de stal

Er zijn situaties mogelijk dat het vee overdag grasland én voer in de stal ter beschikking heeft. Ook het drinkwater is in dat geval in de stal te krijgen. Het vee zal in deze situatie eerder op stal blijven, zeker tijdens warme dagen en regendagen. Als het vee tijdens de weideperiode (overdag) ook in de stal kan komen, is het daarom minder aannemelijk dat het vee gedurende een substantieel deel van de dag in de wei loopt.

5. Kuilvoeropslag

Als de veehouder binnen het bedrijf in verhouding tot het aantal stuks vee veel kuilvoer opslaat, kunt u ervan uitgaan dat hij het vee (veel) op stal voert. Grote kuilvoeropslagen zijn een indicatie dat het vee een lange periode op stal staat, of dat het vee tijdens de weideperiode in de stal (veel) wordt bijgevoerd. Daarnaast kan de hoeveelheid ruwvoer en krachtvoer een goede indicatie zijn. In de zomer kunt u dit constateren aan de hand van de aanwezige hoeveelheden en aan de hand van aankoopbonnen.



delen

  • Delen op LinkedIn

pdf maken

  • pdf maken

Vraag het onze experts!

Heeft u beroepsmatig te maken met regelgeving over de leefomgeving, de Omgevingswet of het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)? Hierover kunt u vragen stellen aan onze helpdesk. Wilt u als inwoner meer weten over deze onderwerpen? Neem dan contact op met uw gemeente.

Stel uw vraag

IPLO geeft uitleg, deelt kennis en ondersteunt ministeries

Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid voor de fysieke leefomgeving. Wij ondersteunen professionals van overheden, omgevingsdiensten en brancheorganisaties met betrouwbare informatie over de wetten en regels van de leefomgeving, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en het Omgevingsloket. Meer informatie vindt u op onze pagina Over IPLO.

Service

  • Over IPLO
  • Abonneren
  • Contact
  • Archief
  • IPLO op LinkedIn

Over deze site

  • Verantwoording
  • Toegankelijkheid
  • Privacyverklaring
  • Cookies
  • Kwetsbaarheid melden
Rijksoverheid
UvW - Unie van Waterschappen
VNG - Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Interprovinciaal overleg - IPO