Ga naar de inhoud
Direct naar
  • Contact
  • Stel uw vraag
Informatiepunt Leefomgeving (naar homepage)
Zoeken in deze site
  1. Home ›
  2. Thema's ›
  3. Water ›
  4. Afvalwater bij activiteiten ›
  5. Technische voorzieningen voor afvalwater ›
  6. Vetafscheiders ›
  7. Handhaving vetscheiders
  • Home
  • Actueel
  • Regelgeving
  • Thema's
  • Digitaal stelsel
  • Contact
  • Contact
  • Stel uw vraag

Handhaving vetscheiders (vetafscheiders)

Een nieuwe vetafscheider moet voldoen aan de NEN-EN 1825-1 en -2. Een oude vetafscheider (van voor 2004) hoeft niet aan deze norm te voldoen, maar moet wel zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

Op deze pagina

  • Wanneer is een vetafscheider verplicht?
  • Onderhoud
  • Geen bemonstering door handhaver
  • Geuroverlast door het afvalwater
  • Opbouw inspectie

Wanneer is een vetafscheider verplicht?

Het verplicht gebruiken van een vetafscheider en slibvangput volgt uit algemene regels of een omgevingsvergunning. Een vetscheider moet volgens die regels voldoen aan NEN-EN 1825-1 en -2. Hierin is ook het onderhoud opgenomen. Het bevoegd gezag kan wel inhoudelijk maatwerk opstellen. Ook bestaat er overgangsrecht voor situaties van vóór 2004.

Onderhoud

In NEN-EN 1825-1 en -2 staat dat de afscheider minstens 1 keer per maand moet worden:

  • geïnspecteerd
  • geleegd
  • schoongemaakt

Een bedrijf mag zelf het onderhoud van de vetafscheider uitvoeren. Alleen moet de inhoud van de slibvangput en de vetafscheider wel als bedrijfsafval worden afgevoerd via een erkende inzamelaar.

Tijdens het legen van de vetafscheider moet worden gecontroleerd of er technische gebreken zijn. Als er gebreken zijn, moet het bedrijf deze zo snel mogelijk herstellen. De slibvangput en de vetafscheider kan zo lang namelijk niet worden gebruikt.

Na het legen en schoonmaken moet de gebruiker de vetafscheider vullen met schoon, koud water. Dit is niet alleen nodig voor een goede werking van de vetscheider. Het is ook nodig om geuroverlast te voorkomen.

Grenzen voor onderhoud

In de prestatieverklaring van de fabrikant en in de NEN-norm zelf staan onderhoudsfrequenties. De 'leeghaal-eis' volgens de NEN-norm luidt:

  • De vulling van de slibopvangruimte mag maximaal 50% zijn.
  • De vulling van de vetopslagruimte (tussen de schotten) mag maximaal 80% zijn.

Bij handhaving van vetafscheiders meet het bevoegd gezag de dikte van de vetlaag. De 80% vulling van de vetopslagruimte betekent een vetlaagdikte van ongeveer 16 cm.

De fabrikanten bepalen deze grenzen overigens per type vetafscheider. De juiste grenzen staan in de prestatieverklaring, die gekoppeld is aan de CE-verklaring van de vetafscheider.

Het overschrijden van de NEN-grenzen of de onderhoudsfrequenties uit de prestatieverklaring ofwel gebruiksvoorschriften, geeft aan dat er geen goed onderhoud is.

Geen bemonstering door handhaver

Of een afscheider goed werkt, valt niet af te leiden uit het effluent (uitvloei afvalwater) van een afscheider. De vetconcentratie in het effluent wisselt namelijk sterk. Ook is deze afhankelijk van de werkzaamheden van voor een meting. Vetgehaltes in 2 direct na elkaar genomen monsters kunnen daardoor sterk van elkaar verschillen. Dit geldt ook als een vetafscheider en slibvangput:

  • goed gedimensioneerd is
  • net schoongemaakt is

Een monster geeft daarom geen juist beeld. En kost te veel inspanning vergeleken met het resultaat. Daarom bestaat er ook geen eis voor het vetgehalte in het effluent, noch is er een monsterprotocol vastgelegd.

Wel is het belangrijk om te weten dat werkzaamheden de werking kunnen beïnvloeden. Daarom kunnen preventiemaatregelen wel een positief effect hebben op de werking.

Controlevoorziening

Let op: een controlevoorziening is wel nodig als er andere emissiegrenswaarden zijn. Deze moeten namelijk ook kunnen worden bemonsterd.

Voorbeelden van preventiemaatregelen

Om de werking van een vetafscheider en slibvangput positief te beïnvloeden, kan de gebruiker:

  • zorgvuldiger omgaan met reinigingsmiddelen. Overdosering hiervan zorgt voor emulgeren (vermenging) van het vet met het afvalwater. De kans bestaat dat dit vet verderop in het riool stolt en tot verstopping leidt.
  • aan warmteterugwinning doen aan de aanvoerkant van een vetafscheider en slibvangput
  • geen versnijdende apparatuur toepassen (gootsteen- of voedselrestvermaler). Dat verbod staat in artikel 22.147 van de bruidsschat.

Gebruik van biologische middelen zoals Bio-Trap

Het gebruik van biologische middelen zoals Bio-Trap wordt sterk afgeraden. Ze kunnen de werking van de vetafscheider verstoren.

Een vetafscheider werkt op basis van flotatie. Vet is lichter dan water en blijft daardoor boven drijven. Zo kan het vet worden gescheiden van het afvalwater.

Wanneer stoffen worden toegevoegd die vet afbreken of veranderen, werkt de vetafscheider niet meer goed. Het vet kan dan alsnog in het riool terechtkomen. Dat is niet toegestaan. Het lozen van vet is verboden, ongeacht de vorm waarin dit gebeurt.

De norm NEN 1825 is hier duidelijk over. Het toevoegen van stoffen of middelen valt buiten de toepassing van deze norm. Alleen als de producent kan aantonen dat biologische additieven geen invloed hebben op de werking van de vetafscheider, kan het bevoegd gezag besluiten het gebruik toe te staan.

Verschillende controlemomenten

Er zijn voor een vetafscheider en slibvangput verschillende controlemomenten.

Eerste controle

Bij het plaatsen van een nieuwe of het aanpassen van een bestaande vetafscheider, zijn dit de controlepunten:

  1. Klopt de dimensionering van de afscheider? In een rapport moet staan waarom de vetafscheider geschikt is voor deze situatie.
  2. Is de afscheider goed geplaatst? Klopt de aansluiting van aan- en afvoerleidingen?
  3. Komt er alleen afvalwater van deze activiteit door de afscheider, dus geen afvalwater van sanitair of regenwater?
  4. Een vetafscheider is een wettelijk voorgeschreven bouwproduct. Is er bij de nieuwe vetafscheiders een CE-markering?
  5. Wordt de vetafscheider regelmatig geleegd? Volgens NEN-EN 1825-1 en -2 moet dit minstens 1 keer per maand. Op voorwaarde dat de werking goed blijft, mag dit minder vaak.

Tijdens bouwfase

Punten 1 tot en met 4 zijn belangrijk in de (ver)bouwfase. De lozingssituatie moet daarom in de rioleringstekening staan. Bouwinspectie kan met een wachtmoment (bouwinspectieterm). Daarna kan de aannemer verder bouwen. Hierdoor is zeker dat de installatie in orde is bij oplevering.

De vetafscheider moet voldoen aan den NEN-EN 1825-1 en een CE-markering hebben. Ook moet er een prestatieverklaring zijn.

Administratief toezicht

Bij punten 1, 2, 4 en 5 is er administratief toezicht. De ondernemer moet de documenten voor de CE-markering kunnen tonen. Dit geldt ook voor afvaldocumenten, instructie van personeel en borging daarvan in de organisatie.

Documenten opvragen

Kan de ondernemer de documenten niet tonen? Dan kan de ondernemer die zelf opvragen bij de leverancier of fabrikant. Ook de handhaver kan aan de leverancier of fabrikant vragen om gegevens over de CE-markering van de vetafscheider.

Kan de fabrikant of leverancier deze documenten niet leveren? Dan voldoet de vetafscheider niet aan de NEN-EN 1825-1. Dit wordt gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Herhaalde controles

Bij een vervolgcontrole let het bevoegd gezag op het beheer van de installatie.

  1. In de NEN-EN-1825 staat dat de afscheider eens per maand moet worden geleegd. Dan moet ook meteen worden gecontroleerd op gebreken. In afwijking van de NEN mag de afscheider minder vaak worden geleegd als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. Daarvoor is geen maatwerkvoorschrift nodig. Met een maatwerkvoorschrift kan deze eis wel strenger worden gemaakt. Dat hangt af van de samenstelling van het afvalwater.
  2. Is de afscheider beschadigd of aangetast?
  3. Hoe dik zijn de sliblaag en vetlaag?
    Volgens de NEN mag de slibopvangruimte voor maximaal 50% gevuld zijn. En de vetopslagruimte (tussen de schotten) voor maximaal 80%. Dit betekent een vetlaagdikte van ongeveer 16 cm. Klopt dit niet? Dan gaat het onderhoud van de vetafscheider niet volgens de regels.

Let op: In de prestatieverklaring van de fabrikant kan een afwijkende, mogelijk lagere, hoeveelheid zijn opgenomen. In dat geval gelden deze hoeveelheden.

Meting en monstername

Het meten van de vetlaagdiktes kan bijvoorbeeld met een simpele peilstok of laagdiktemeter. Het nemen van een monster is niet nodig. Er is geen lozingseis voor het vetgehalte in het effluent.

Geuroverlast door het afvalwater

Het afvalwater van deze activiteit kan bij lozing op het vuilwaterriool zorgen voor een stinkend riool. Dit zorgt over grote afstand voor geuroverlast.

Als er sprake is van geuroverlast, dan is dit in strijd met de zorgplicht in het Bal (artikel 2.11 Bal) en de bruidsschat omgevingsplan (artikel 22.44). Het bevoegd gezag kan maatwerkmaatregelen voorschrijven om deze geuroverlast te beperken of direct handhaven op overtreding van de zorgplicht.

Opbouw inspectie

  1. Dossieronderzoek: gegevens afscheider bekend? Resultaten en afspraken eerdere controles?
  2. Resultaten en afspraken eerdere inspecties.
  3. Nieuwe afscheider: punten 1 tot en met 4 Eerste controle.
  4. Administratieve controle:
  • Is er een rapport over de vetafscheider?
  • Gegevens afscheider: prestatieverklaring, CE-markering, dimensionering, leeftijd – kloppen de gegevens in combinatie met elkaar en met de werkelijkheid?
  • Vetafval kan mee met het bedrijfsafval. Dan is er geen aparte bon of nota nodig.
  • Vraag naar borging onderhoud binnen bedrijf: wie regelt dit, is er een onderhoudscontract?
  1. Fysieke controle
  • Controleer laagdikte vet (maximaal 16 cm) en vulling slibopvangruimte (maximaal 50%). Deze normen hebben te maken met de eisen waaraan het product moet voldoen, op basis van het ontwerp door de fabrikant (zie CE-markering). Boven deze waarden kan de afscheider het afvalwater niet goed scheiden.
  1. Overgangsrecht
  • Is het een vetafscheider die niet aan de huidige norm voldoet?
  • Voldoet de vetafscheider aan de eisen van het overgangsrecht?


delen

  • Delen op LinkedIn

pdf maken

  • pdf maken

Vraag het onze experts!

Heeft u beroepsmatig te maken met regelgeving over de leefomgeving, de Omgevingswet of het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)? Hierover kunt u vragen stellen aan onze helpdesk. Wilt u als inwoner meer weten over deze onderwerpen? Neem dan contact op met uw gemeente.

Stel uw vraag

IPLO geeft uitleg, deelt kennis en ondersteunt ministeries

Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid voor de fysieke leefomgeving. Wij ondersteunen professionals van overheden, omgevingsdiensten en brancheorganisaties met betrouwbare informatie over de wetten en regels van de leefomgeving, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en het Omgevingsloket. Meer informatie vindt u op onze pagina Over IPLO.

Service

  • Over IPLO
  • Abonneren
  • Contact
  • Archief
  • IPLO op LinkedIn

Over deze site

  • Verantwoording
  • Toegankelijkheid
  • Privacyverklaring
  • Cookies
  • Kwetsbaarheid melden
Rijksoverheid
UvW - Unie van Waterschappen
VNG - Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Interprovinciaal overleg - IPO