Bodemverontreiniging veroorzaakt door blusschuim
Bij gebruik van blusschuim kan bodemverontreiniging ontstaan door PFAS. Er gelden richtlijnen voor het bepalen van bodemverontreiniging en voor het omgaan met verontreinigde grond.
Bepalen van bodemverontreiniging
Het beoordelen van of en tot welke waarde gesaneerd moet worden bij een historische verontreiniging is een taak van het bevoegd gezag voor bodemsanering. Voor PFAS bestaat er een indicatief niveau voor ernstige verontreiniging (INEV), die bij historische verontreinigingen gebruikt kan worden om te bepalen of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging en of daardoor saneringsmaatregelen nodig zijn. Bij een functionele sanering van een historische verontreiniging kan voor terugsaneringswaarden bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van waarden bij bodemfunctieklassen. Deze staan in het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Gemeenten kunnen ook lokaal normen vaststellen in hun omgevingsplan.
Omgaan met verontreinigde grond
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe moet worden omgegaan met door PFAS verontreinigde grond. Van belang hierbij is de zorgplicht. Handvatten vanuit het ministerie voor de invulling van die zorgplicht zijn onder meer het Handelingskader PFAS bij verplaatsen van grond en bagger en de Handreiking Zorgplicht onder Artikel 13 Wet bodembescherming (Wbb) bij bodemverontreiniging met PFAS. Uitgangspunt is het beschermen van mens en milieu, waaruit volgt dat risico's zo veel mogelijk voorkomen moeten worden. Het bevoegd gezag heeft bij deze afweging de ruimte om rekening te houden met wat redelijkerwijs verwacht kan worden of mogelijk is.