Bronnen van PFAS en het vermijdings- en reductieprogramma
In een vermijdings- en reductieprogramma kunnen bedrijven aangeven wat hun PFAS-bronnen zijn, en of en hoe deze kunnen worden verminderd. Het bevoegd gezag beoordeelt welke vermijding en/of reductie van emissies aan de orde is. Er is onderzoek gedaan naar sectoren die PFAS-emissies kunnen hebben.
Potentiële sectoren met PFAS-emissies
In opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de Universiteit Utrecht meetgegevens van Rijkswaterstaat en de Nederlandse waterschappen geanalyseerd. Met als doel de bronnen van PFAS-concentraties in Nederlands oppervlaktewater te identificeren. Dit brononderzoek helpt bij het opsporen van mogelijke uitstootbronnen. Ook helpt het om inzicht te krijgen in de verspreiding van PFAS. De lijst hieronder is gebaseerd op tabel 2.6 en 2.7 van het rapport PFAS-bronnenonderzoek in Nederland.
- Afvalverwerkers (bouw-, sloop- en bedrijfsafval)
- RWZI/AWZI-effluenten (rioolwaterzuiveringsinstallaties en afvalwaterzuiveringsinstallaties)
- Blustrainingscentra
- Stortplaatsen (bagger, vervuilde grond)
- Betonindustrie (bekistingsolie en water-/vetafstotend maken van beton)
- Kunstvezelproductie
- Metaalindustrie (metal plating; verchromen, anodiseren, beitsen)
- Papierindustrie
- Fotografische industrie, fotolithografie
- (Productie van) schoonmaak- en onderhoudsmiddelen (impregnatiemiddelen en vloerwaxen)
- Textielfabrieken (en -verwerkers) (inclusief tapijten en kleding)
- Autosloperijen (geïmpregneerde bekleding) en autowasserijen
- Coatingbedrijven (aanbrengen tefloncoating)
- Leerlooierijen
- Tankcleaning
- Productie van halfgeleiders
- Stomerijen
- Productie van geraffineerde olieproducten
- Productie van rubber en plastic
Niet-productiegerelateerde emissie
Niet-identificeerbare bronnen
Alle ZZS-emissies vallen onder de minimalisatieplicht, onafhankelijk of de bron herleidbaar is. In een vermijdings- en reductieprogramma (VRP) kunnen bedrijven aangeven wat hun PFAS-bronnen zijn, en of en hoe deze kunnen worden verminderd. Het is dan aan het bevoegd gezag om te beoordelen welke vermijding en/of reductie van emissies redelijkerwijs aan de orde kan zijn voor het bedrijf, gegeven de eventuele externe bronnen van PFAS.
Nieuw aangetroffen of onbekende (PFAS)-stoffen
De definitie van een 'onbekende' of nieuwe stof is: 'een stof die niet bij naam is genoemd in een melding of vergunningaanvraag, maar wel geëmitteerd wordt door de aangevraagde of gemelde activiteit'.
Bij iedere wijziging van een productieproces en/of gebruikte grond- of hulpstoffen is het aan de vergunninghouder om te kijken of de emissies naar lucht en/of water qua aard of omvang dusdanig wijzigen dat ze niet meer passen binnen de bestaande vergunning.
Zo ja, dan kan een wijziging van de melding, vergunning of maatwerkvoorschrift aan de orde zijn en moet het bedrijf in overleg treden met het bevoegd gezag. Ook bij nieuwe inzichten en het ontdekken van aanwezigheid van nieuwe stoffen moet een bestaande vergunning of melding worden geactualiseerd. Dat geldt voor alle stoffen, niet specifiek ZZS of PFAS.
Wanneer een nieuwe PFAS wordt aangetroffen. geldt per direct de verplichting om te minimaliseren. Het is niet nodig het vermijdings- en reductieprogramma onmiddellijk te actualiseren, dit kan in de volgende VRP-cyclus een plaats krijgen.
Niet uit bedrijfsproces afkomstige PFAS
Vanuit de wettelijke verplichting wordt er geen onderscheid gemaakt tussen PFAS afkomstig uit bedrijfsprocessen en PFAS afkomstig uit ondersteunende functies. Wel kan een bedrijf met een onderbouwing komen voor gewenste fasering in aanpak van emissies afkomstig van verschillende processen in het VRP. Het is aan het bevoegd gezag om acceptatie hiervan af te wegen in het proces van vergunningverlening en/of de periodieke beoordeling en acceptatie van het vermijdings- en reductieprogramma.
Juridisch gezien maakt het uiteraard wel uit of de vergunninghouder of initiatiefnemer redelijkerwijs had kunnen weten of had moeten onderzoeken of er sprake is van 'nieuwe' of eerder niet-aangetroffen stoffen in de emissies. Bijvoorbeeld als gevolg van aanpassingen in productieprocessen, grond- of hulpstromen. In dat geval moet een bedrijf altijd contact leggen met het bevoegd gezag en in veel gevallen moet ook de vergunning worden geactualiseerd.
De specifieke zorgplicht (artikel 2.11 Bal) geeft hier ook richting aan. Hierbij zijn uiteraard ook van belang:
- de minimalisatieplicht voor ZZS
- het hebben van een VRP op grond van artikel 5.24 van het Bal, en
- de vijfjaarlijkse rapportage- en informatieplicht op grond van artikel 5.23 Bal (via het VRP)
PFAS in koelwater of effluent
Of PFAS in bijvoorbeeld koelwater of hergebruikt effluent van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) moet worden aangepakt, hangt van de situatie af. Bij een milieubelastende activiteit (mba) met een vergunningplicht is er mogelijk een parallel te trekken met een rechterlijke uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2025:14482). Hierin lag de vraag voor of het bevoegd gezag eisen mocht stellen aan de lozing van PFAS-houdend afvalwater waar de PFAS niet afkomstig was uit het bedrijfsproces, maar een gevolg zou zijn van droge en of natte depositie. Dit was depositie als gevolg van PFAS-emissies van het buurbedrijf. De rechtbank oordeelde dat het in dit geval niet relevant is dat het bedrijf zelf geen PFAS produceert.
Maatgevend is dat het bedrijf PFAS in het milieu brengt en dat dit niet het geval zou zijn als het bedrijf niet in werking zou zijn geweest. Deze uitspraak kan worden gelegd naast de casuïstiek voor koelwater of RWZI-effluent. Dan lijkt er in beide gevallen sprake van een proces waarbij de exploitant niet zelf extra PFAS toevoegt, maar wel een PFAS-houdende lozing heeft. Op grond van de rechterlijke uitspraak lijkt dat niet relevant en mag een bevoegd gezag eisen stellen aan de lozing. De vergelijking met koelwater zou echter niet geheel kunnen opgaan, omdat koelwater dat onttrokken wordt uit een PFAS-houdend oppervlaktewaterlichaam en daar weer in wordt geloosd niet leidt tot PFAS-toename in dat oppervlaktewater.
Toekomstige ontwikkelingen
De bespreektafel 'Vermijdings- en reductieprogramma's' werkt vanaf zomer 2025 aan het verbeteren van de toepasbaarheid van VRP’s in de praktijk door:
- opstellen van een handleiding voor beoordeling van VRP's, zodat omgevingsdiensten een meer uniforme manier van beoordeling kunnen hanteren. Er wordt ook gedacht over het oprichten van een expertisecentrum, waar bijvoorbeeld overheden complexe casussen kunnen neerleggen bij experts en waar de beoordeling/uitspraak dient als een voorbeeld voor andere omgevingsdiensten. Hoe dit precies vorm gaat krijgen maakt deel uit van het te starten traject.
- opstellen van voorbeelden van VRP's per branche. Samen met Omgevingsdienst NL en een aantal branches (waaronder VNCI, NVZ, metaalsector, afvalbranche, NRK) worden er voorbeeld-VRP’s gemaakt. Uitgangspunt is een 80–20-regel. De voorbeeld-VRP’s per branche zullen zo 80% van het administratieve werk uit handen nemen. De overige 20% is casusspecifiek.
- vormgeven van een kosteneffectiviteitstoets lucht en een evaluatie van ranges en ontwikkelingen binnen de Richtlijn industriële emissies Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) (Rie). Er wordt gekeken hoe de huidige 'kosteneffectiviteitstoets lucht' verbeterd kan worden, zodat er meer duidelijkheid komt over de toepasbaarheid ervan voor bedrijven en omgevingsdiensten. Hierbij ook in acht nemend dat er vanuit de RIE nieuwe Europese richtlijnen komen.
Onderzoeken
Er is een onderzoeksprogramma PFAS van het RIVM, waar 3 ministeries opdrachtgever van zijn (Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)).
Daarnaast heeft het RIVM in juni 2025 van de ministeries van IenW en VWS opdracht gekregen voor een gezondheidsonderzoek in de regio's rondom Chemours en de Westerschelde. Hiervan maakt een overzichtsonderzoek naar de actuele wetenschappelijke kennis over de gezondheidseffecten van PFAS onderdeel uit. De resultaten worden duidelijk en toegankelijk gecommuniceerd met onder andere de omwonenden en GGD'en.
Op de RIVM-website is al uitgebreide informatie beschikbaar over gezondheidsrisico's van PFAS. Ook de GGD verstrekt (landelijk en lokaal) gerichte informatie over de risico's van PFAS. Deze onderzoeksprogramma zijn niet specifiek ingericht op het leggen van verbanden tussen risico's van specifieke verbindingen. Uitgangspunt van veel onderzoeken is de bestaande belasting in de omgeving en dat betreft in het algemeen een mix van een aantal PFAS-verbindingen.
Lozingen: handelingsopties voor PFAS
Rijkswaterstaat (RWS) heeft voor PFAS een handelingsperspectief ontwikkeld voor lozingen op oppervlaktewater in het rapport Handelingsopties omtrent PFAS (HOOP). Dit rapport heeft echter geen beleidsmatige status.
Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie)
Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 over industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334). Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
De Richtlijn industriële emissies is op 15 juli 2024 inhoudelijk gewijzigd door richtlijn 2024/1745. Hierbij wordt ook de naam van de richtlijn aangepast tot Richtlijn industriële emissies en veehouderijen.
Ga naar de geconsolideerde tekst van de Richtlijn industriële emissies.
Meer informatie staat op Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie).