Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Regels over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen neemt de gemeente op in het omgevingsplan. In deze gevallen moet de gemeente alle ruimtelijke regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan ook gelijk omzetten naar regels die voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.
Implementatie nieuw beleid
Nieuw gemeentelijk beleid kan doorwerken in de regels van het omgevingsplan. Ook beleid van Rijk en provincie kunnen doorwerken. In die gevallen zal het Rijk of de provincie de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) of de omgevingsverordening (zie hierna) aanvullen of wijzigen. Ook kunnen zij een instructie geven.
Waterschappen kunnen geen instructieregels stellen of instructie geven. Maar op grond van artikel 5.37 Bkl houden gemeenten in hun omgevingsplan rekening met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij betrekken zij de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen. Op deze manier werkt het beleid van waterschappen, waar nodig, door in de regels in het omgevingsplan.
Instructieregels gelden bij iedere wijziging van het omgevingsplan
Voor het stellen van regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en vanwege een aantal taken stelt het Rijk in hoofdstuk 5 van het Bkl instructieregels Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) over de inhoud van het omgevingsplan. De provincie kan in de omgevingsverordening ook instructieregels opnemen. Iedere wijziging van het omgevingsplan moet voldoen aan de instructieregels van Rijk en provincie.
Instructie van Rijk of provincie
Het Rijk of de provincie kan de gemeente met een instructie Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) opdracht geven om het omgevingsplan te wijzigen. Bij de instructie geeft het Rijk of de provincie aan voor welk gebied deze geldt. In de instructie staat wat de gemeente in het omgevingsplan moet wijzigen en binnen welke termijn.
Verwerken onderdelen tijdelijk deel van het omgevingsplan in de overgangsfase tot eind 2031
Artikel 22.1 van de Omgevingswet bepaalt dat het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit:
- besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet
- kaarten, bedoeld in artikel 3.5, lid 2, en besluiten, bedoeld in artikel 3.5, lid 3, Aanvullingswet bodem Omgevingswet
- omgevingsplanregels van rechtswege, bedoeld in artikel 22.2, lid 1, Omgevingswet
Verwerken ruimtelijke regels uit tijdelijk deel omgevingsplan
Gedurende de overgangsfase moeten gemeenten de (ruimtelijke) regels die door artikel 4.6, Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzetten naar regels die voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.
Verwerken omgevingsplanregels van rechtswege
In de overgangsfase moeten gemeenten de omgevingsplanregels van rechtswege die door hoofdstuk 7, Invoeringsbesluit Omgevingswet (bruidsschat omgevingsplan) onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzetten naar regels die voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Hierbij moet de gemeente ook de aanvullingen op die regels uit de Vangnetregeling Omgevingswet betrekken.
Regels over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving
De gemeente kan in het omgevingsplan regels stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit zijn activiteiten die tot inwerkingtreding van de Omgevingswet werden opgenomen in gemeentelijke verordeningen, zoals de algemene plaatselijke verordening (APV), monumentenverordening, kapverordening, et cetera.
Sommige van die regels moeten op 1 januari 2032 in het omgevingsplan staan. Andere van die regels mogen in het omgevingsplan. Zie Regels verplicht of juist niet in het omgevingsplan.
Zie ook de pagina Bestaande gemeentelijke verordeningen en het omgevingsplan voor meer informatie over de gevolgen voor enkele veel voorkomende gemeentelijke verordeningen door de introductie van het omgevingsplan.
Omzetten TAM omgevingsplan naar STOP/TPOD
Tot 1 januari 2026 konden gemeenten, voor wie het wijzigen van het omgevingsplan via de LVBB niet mogelijk was, gebruik maken van een alternatieve maatregel (TAM). Daarmee gebruikten ze de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) voor het beschikbaar stellen van de wijziging van het omgevingsplan.
De omgevingsplanwijzigingen die zijn opgesteld volgens TAM-IMRO moeten voor het verstrijken van de overgangsfase worden omgezet naar de STOP/TPOD-standaard. Dit om te kunnen voldoen aan de verplichting om vanaf 1 januari 2032 één geconsolideerd omgevingsplan te hebben per gemeente.
Zie voor meer informatie de pagina Juridische status omzetting TAM-omgevingsplan naar STOP/TPOD.