Toelichting bij uitspraken over onteigeningen in gemeenten Maastricht, Stichtse Vecht en Woerden
De rechtbanken Midden-Nederland en Limburg hebben uitspraken gedaan over de bekrachtiging van onteigeningsbeschikkingen in 3 gemeenten. Het gaat om onteigening voor de herontwikkeling van Palace Wyck in Maastricht, uitbreiding van het transformatorstation Breukelen-Kortrijk en van het bedrijventerrein Putkop in Woerden. Lees de toelichting en achtergrond van de uitspraken.
De rechtbanken Midden-Nederland en Limburg hebben recent de volgende uitspraken gedaan over de bekrachtiging van onteigeningsbeschikkingen:
- Uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 maart 2026 over een onteigeningsbeschikking van de gemeenteraad van Maastricht voor de herontwikkeling van het gebied Palace Wyck in die gemeente. Zie ECLI:NL:RBLIM:2026:2754.
- Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2026 over een onteigeningsbeschikking van Provinciale Staten van de provincie Utrecht voor de uitbreiding van het transformatorstation Breukelen-Kortrijk 380-150 Kilovolt in de gemeente Stichtse Vecht op aanvraag van TenneT. Zie ECLI:NL:RBMNE:2026:1300.
- Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 maart 2026 over een onteigeningsbeschikking van de gemeenteraad van Woerden voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Putkop in die gemeente. Zie ECLI:NL:RBMNE:2026:929.
Op deze pagina leest u de achtergrond van deze uitspraken en een toelichting op enkele opvallende aspecten ervan.
1 Rechtszaak gemeente Maastricht
Mag het college een bekrachtigingsverzoek indienen? In de rechtszaak over de onteigening in Maastricht vond een belanghebbende dat het college van burgemeester en wethouders het bekrachtigingsverzoek niet bij de rechtbank had mogen indienen. Volgens hem had de gemeenteraad dit moeten doen.
De rechtbank Limburg oordeelt dat de gemeenteraad de bevoegdheid om tot onteigening te besluiten niet kan delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Wel mag de raad de voorbereiding en uitvoering van de onteigeningsbeschikking overlaten aan het college van burgemeester en wethouders (het dagelijks bestuur) op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b van de Gemeentewet. De gemeenteraad van Maastricht had in de onteigeningsbeschikking diverse uitvoeringshandelingen (zoals het indienen van het verzoek tot bekrachtiging) gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders. Daarom mocht het college volgens de rechtbank het bekrachtigingsverzoek indienen namens de raad. De gemeente had het model voor de onteigeningbeschikking gebruikt dat is opgenomen in de Praktijkgids van het Kenniscentrum Onteigeningen voor Overheden.
Opvragen logboeken door advocaten
De gemeente Maastricht had eerst een machtiging gevraagd van een advocaat die voor zijn cliënten een logboek met bijlagen wilde inzien. Maar de gemeente is daar 2 weken later op teruggekomen. En heeft toen de logboeken alsnog aan de advocaat gegeven. De rechtbank Limburg oordeelt dat de gemachtigde hierdoor is belemmerd, omdat een deel van de inzage- en zienswijzentermijn is 'afgesnoept'. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat de belanghebbenden hier uiteindelijk juridisch geen nadeel van hebben ondervonden. Binnen de rechtspraak is het normaal dat een bestuursorgaan geen bewijs van machtiging vraagt aan een advocaat, als die zich als gemachtigde van een cliënt bij een bestuursorgaan meldt.
2 Rechtszaak gemeente Stichtse Vecht
Bij deze uitspraak ging het onder meer over de toezendingsvereiste aan belanghebbenden. Het bevoegd gezag moet de (ontwerp)onteigeningsbeschikking volgens artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan alle belanghebbenden toezenden. In de recente uitspraken komen situaties aan de orde waarbij er discussie is of een bepaalde betrokkene een belanghebbende is. En of het bevoegd gezag belanghebbenden op de juiste manier heeft aangeschreven. Daarbij vallen de volgende punten op.
Vennootschap onder firma (Vof) met gebruiksrecht
Artikel 16.97 van de Omgevingswet somt verschillende belanghebbenden op die bedenkingen kunnen indienen tegen een onteigeningsbeschikking, zoals perceeleigenaren, opstallers, pachters en rechthebbenden op rechten van gebruik.
In de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over het transformatorstation heeft een Vof die daar een melkveebedrijf exploiteert, bedenkingen ingebracht. Volgens de provincie is de Vof geen belanghebbende die bedenkingen kan indienen, omdat de Vof geen eigenaar is van de te onteigenen percelen en ook geen rechten had op de percelen. Een BV was eigenaresse van de te onteigenen percelen. De rechtbank oordeelt anders: ze oordeelt dat de opsomming van belanghebbenden in artikel 16.97 Omgevingswet niet uitputtend is. De rechtbank constateert dat de directeur van de BV heeft verklaard dat de BV alleen eigenaar is van de percelen, maar dat de BV niet het melkveebedrijf exploiteert. De BV is vennoot in de Vof en heeft de percelen ingebracht in de Vof. De Vof exploiteert het melkveebedrijf. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Vof wel een belanghebbende is: de Vof heeft een gebruiksrecht op de te onteigenen percelen.
Omdat de provincie de Vof niet als een belanghebbende heeft gezien, heeft de provincie de ontwerpbeschikking en de beschikking niet aan de Vof gestuurd. Volgens de rechtbank had dat wel gemoeten. Want de Vof is wel degelijk belanghebbende. Omdat de provincie beide documenten wel naar de BV hadden gestuurd die vennoot is van de Vof, passeert de rechtbank in dit geval het gebrek.
Belanghebbenden bij percelen
In de onteigening voor het transformatorstation geldt het volgende. De provincie heeft de ontwerpbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet verzonden naar diverse zakelijke gerechtigden die opstalrechten hadden voor de instandhouding van kabels en leidingen op de te onteigenen percelen. De provincie had dat niet gedaan, omdat hun rechten gaan over perceelgedeelten die niet geraakt worden door de onteigening. Daarom zijn zij volgens de provincie niet belanghebbend.
Volgens de rechtbank Midden-Nederland moet een bestuursorgaan voor de vraag wie belanghebbende is, kijken naar de gehele kadastrale percelen die in de onteigeningsbeschikking zitten. Het bestuursorgaan mag geen onderscheid maken tussen perceelgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. De rechtbank oordeelt daarom dat deze zakelijk gerechtigden de beschikkingen wel hadden moeten krijgen. De provincie kon de rechtbank verklaringen overleggen van deze zakelijk gerechtigden, waarin zij aangaven niet te willen deelnemen aan de onteigeningsprocedure. Daarom heeft de rechtbank in dit geval het geconstateerde gebrek gepasseerd.
Dit betekent dat een onteigenaar onderzoek moet doen naar alle rechthebbenden op het gehele perceel. Dus ook naar rechthebbenden op een gedeelte van een perceel dat niet onteigend wordt. Het bevoegd gezag moet de ontwerpbeschikking én de vastgestelde beschikking naar alle rechthebbenden op het perceel toezenden.
Vennootschapsstructuur
Een dochtermaatschappij van de onteigenaar (TenneT) die op de voor het transformatorstation te onteigenen percelen een zakelijk recht heeft, zou formeel volgens de rechtbank Midden-Nederland ook de ontwerpbeschikking en de beschikking hebben moeten ontvangen. Maar dit hoefde in dit geval volgens de rechtbank niet, gezien de vennootschapsstructuur.
Belanghebbenden die samenwonen
Wonen 2 belanghebbenden samen en vormen ze 1 huishouding? Dan mag het bevoegd gezag er redelijkerwijs vanuit gaan dat beiden de beschikking hebben ontvangen als de beschikking aan 1 van hen is verstuurd. Volgens de rechtbank Limburg is in dat geval voldaan aan het toezendingsvereiste.
Enkel informeren volstaat niet
De gemeente had een huurder per brief geïnformeerd dat ze een besluit had genomen over de ontwerponteigeningsbeschikking en dat alle stukken ter inzage lagen. De rechtbank Limburg oordeelt dat de gemeente strikt genomen deze belanghebbende ook de ontwerpbeschikking zelf had moeten toezenden. Dat was niet gebeurd. De rechtbank heeft in dit geval dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en heeft daarbij de passieve rol van deze belanghebbende meegewogen.
3 Rechtszaak gemeente Woerden
Hier ging het onder meer over het opsporen van belanghebbenden: belanghebbendenonderzoek. De rechtbank Midden-Nederland heeft in de uitspraak over de onteigening voor het bedrijventerrein in Woerden geoordeeld dat het eenmalig bij de eigenaar opvragen van de contactgegevens van een belanghebbende niet voldoende is. Bij het opvragen van contactgegevens van mogelijke andere belanghebbenden moet het bevoegd gezag bovendien toelichten waar deze contactgegevens voor nodig zijn.
In deze kwestie ging het om een pachter die de gemeente niet had aangeschreven. De rechtbank heeft in dit geval zelf deze pachter achterhaald en benaderd. Omdat de pachter heeft verklaard dat hij niet als belanghebbende wilde deelnemen aan de onteigeningsprocedure, heeft de rechtbank in dit geval het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd. Het Kenniscentrum Onteigeningen voor Overheden adviseert onteigenaars daarom om meermaals bij de eigenaar te vragen naar gegevens van andere belanghebbenden/gebruikers en om daarbij ook toe te lichten waarvoor deze contactgegevens nodig zijn. Het is ook zaak om dit goed vast te leggen in correspondentie of gespreksverslagen.
4 Diverse andere onderwerpen
Aangeboden bedragen in de uitspraken
Bij de toetsing of een bestuursorgaan een redelijke poging tot minnelijke verwerving heeft gedaan, valt op dat de rechtbanken in de uitspraken de aangeboden bedragen aan schadeloosstelling en de PM-posten vermelden. Dit wijkt af van wat de Kroon deed in de koninklijke besluiten onder de onteigeningswet. Daarin werden nooit bedragen vermeld.
Onteigeningsbelang
In de onteigening voor de herontwikkeling van het gebied Palace Wyck in Maastricht gaat de rechtbank Limburg vrij uitvoerig in op het onteigeningsbelang. De rechtbank constateert dat deze herontwikkeling is vastgelegd in een onherroepelijk bestemmingsplan dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Volgens de rechtbank is hiermee het onteigeningsbelang in beginsel gegeven. Hier valt het volgende op. De rechtbank beschrijft ambtshalve vrij uitgebreid de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het wegbestemmen van de in de onteigening betrokken woning. Op grond daarvan komt de rechtbank tot de conclusie dat de raad het onteigeningsbelang voldoende heeft onderbouwd. Belanghebbenden voerden aan dat er alleen sprake is van een commercieel belang en dat hun belang bij het behoud van de woning zwaarder weegt. Maar de rechtbank ziet bij de beoordeling van het onteigeningsbelang geen ruimte meer voor een inhoudelijke toets of het belang van de voorgestane ontwikkeling zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbenden. Deze toets is namelijk al gedaan in het kader van het bestemmingsplan.
In de 2 andere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland komt het onteigeningsbelang niet zo uitgebreid aan de orde. Dat komt omdat belanghebbenden daarover vrijwel geen bedenkingen hadden ingediend. De rechtbank beperkt zich daar tot de toets of beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
In de bekrachtigingsprocedure over de onteigeningsbeschikking van de gemeente Maastricht hebben de belanghebbenden een beroep gedaan op diverse beginselen van behoorlijk bestuur: het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank gaat alleen in op het evenredigheidsbeginsel, omdat de belanghebbenden de vermeende schending van de andere beginselen niet hadden onderbouwd.
Over het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat het om een zeer ingrijpend en belastend besluit gaat. De gemeente ontneemt het eigendomsrecht. En het gaat om de woning waar de belanghebbende daadwerkelijk woont. Daarom toetst de rechtbank intensief aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij de rechtbank de volgende 2 vragen beantwoordt:
- Is het besluit geschikt en noodzakelijk om het doel te bereiken?
- Is het besluit evenwichtig?
De rechtbank beantwoordt de eerste vraag bevestigend. En verwijst daarvoor naar haar eerdere overwegingen over het onteigeningsbelang en de noodzaak. Aan de beantwoording van de tweede vraag, of het onteigeningsbesluit evenwichtig is, wijdt de rechtbank vrij uitvoerige aparte overwegingen. De belanghebbende doet een beroep op zijn hoge leeftijd. En dat de woning een familie-erfstuk is dat al generaties lang in zijn familie is. Dit maakt dat er volgens de rechtbank emotioneel gezien voor deze belanghebbende sprake is van een groot verlies.
De rechtbank erkent ook dat het voor belanghebbende niet gemakkelijk zal zijn om op zijn hoge leeftijd nog te verhuizen en ergens anders te aarden. Maar de rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden niet anders zijn dan bij vele andere ouderen die vanwege externe omstandigheden moeten verhuizen. De rechtbank weegt in dit verband ook mee dat belanghebbende in de dezelfde buurt nog een andere woning heeft, waar hij in het verleden ook enkele jaren gewoond heeft. Het verdriet om het verlies van de woning die al zo lang in de familie is, is volgens de rechtbank niet zo bijzonder dat deze de onteigening niet kan toestaan. Het komt volgens de rechtbank vaker voor dat een persoon wiens onroerende zaak onteigend wordt, daarmee een emotionele band heeft.
De rechtbank komt uiteindelijk tot de slotsom dat de aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk dat zijn dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het geven van een onteigeningsbeschikking kon komen. Daarbij weegt de rechtbank ook het algemeen belang mee dat door de onteigening kan plaatsvinden: een herontwikkeling die een einde maakt aan de verpauperde bebouwing ter plaatse. Het evenredigheidsbeginsel is hier dus niet geschonden.
Deze uitspraak laat zien dat er in de onteigeningsprocedure ruimte is voor een toets aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een overheid kan bij het geven van een onteigeningsbeschikking dus niet volstaan met de in Omgevingswet specifiek voorgeschreven toets aan de 3 wettelijke criteria onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie. Zij moet ook de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. De uitspraak laat ook zien dat er deels een overlap is tussen de wettelijke criteria en de beginselen van behoorlijk bestuur.