IPLO Uitgelicht mei 2026
We lichten enkele zaken uit die onze specialisten in de afgelopen maand zijn opgevallen. Zo gaan we onder meer in op de vraag of een brandstofcel een stookinstallatie is en hoe ver de vergunningvrijstelling voor laadpalen reikt. Ook leest u hoe u het representatieve geluid op een geluidgevoelig gebouw bepaalt.
In IPLO Uitgelicht gaan we maandelijks in op wat ons opvalt aan de vragen die we krijgen. Daarnaast bieden we inzicht in feiten en cijfers, zoals de vraagaantallen, de verdeling over de verschillende onderwerpen en het bezoek aan iplo.nl.
Vraag van de maand
Wanneer wordt baggerspecie grond?
Bovenstaande vraag krijgen onze bodemdeskundigen regelmatig, zo ook in mei. Wij leggen dan uit dat in de regelgeving de begrippen grond Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) en baggerspecie Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) een belangrijke rol spelen. De definities van grond en baggerspecie staan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit en zijn vrijwel identiek. Het enige verschil is de herkomst van het materiaal. Grond is afkomstig uit de landbodem, en baggerspecie uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper). Dit onderscheid is belangrijk omdat er voor grond en voor baggerspecie soms verschillende (toetsings)regels gelden. Op de webpagina Landbodem of waterbodem lichten onze bodemexperts dit onderscheid toe. Ze beschrijven ook hoe het met de begrenzing tussen de landbodem en het oppervlaktewater Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) zit.
In de praktijk bestaat soms het misverstand dat baggerspecie na het opbaggeren grond wordt. Bijvoorbeeld als een baggeraar de baggerspecie tijdelijk op de landbodem in opslag legt, bijvoorbeeld voor ontwatering. Dat is niet correct. Baggerspecie die in opslag ligt, blijft juridisch gezien baggerspecie. Dat blijft zo tot de baggeraar, een waterschap, veehouder, aannemer of grondverzetbedrijf die baggerspecie op of in de landbodem toepast. Op dat moment wordt de baggerspecie een onderdeel van de bodem. Omgekeerd geldt hetzelfde bij het toepassen van grond in oppervlaktewater: grond is afkomstig uit de landbodem en wordt pas bagger op het moment dat het is toegepast in oppervlaktewater.
Wat opviel in mei
Bouw
Laadpalen: hoe ver reikt de vergunningvrijstelling?
Onze bouwdeskundigen bogen zich over een vraag van een bevoegd gezag over een initiatiefnemer die laadpalen wil laten plaatsen op de oprit van een woning. Deze laadpalen zullen mogelijk bedrijfsmatig worden gebruikt of geëxploiteerd om elektrische voertuigen op te laden. De vraag is hoe ver de vergunningvrijstelling van artikel 2.29, onder p, sub 2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) reikt. Kan het omgevingsplan nog een vergunningplicht opleggen wegens strijdig gebruik wanneer de laadpaal als bouwwerk vergunningvrij is?
De vrijstelling gaat over laadpalen voor infrastructurele of openbare voorzieningen. Daaronder vallen ook situaties waarin derden deze laadpalen gebruiken. In dat geval is toetsing aan het omgevingsplan niet aan de orde, net zo min als het aspect strijdig gebruik. Dit volgt uit het principe van ruimtelijk vergunningvrij bouwen. Het omgevingsplan kan dan geen aanvullende vergunningplicht opleggen. Artikel 22.26 van de bruidsschat omgevingsplan (waarin staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning te bouwen) is hier niet van toepassing. Meer informatie leest u op de pagina Vergunningvrij bouwen.
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)
Gemachtigde wijzigen nadat verzoek is ingediend
Gemeenten bevragen ons regelmatig over de mogelijkheden om machtigingen te wijzigen of in te trekken. Zo beantwoordden onze specialisten recent de volgende vraag:
'Wij hebben een bouwaanvraag ontvangen die via het Omgevingsloket is ingediend door een gemachtigde. De opdrachtgever/initiatiefnemer heeft aangegeven dat hij de eerder verstrekte machtiging aan deze gemachtigde wil intrekken. Kunt u aangeven hoe de initiatiefnemer dit binnen het Omgevingsloket correct kan uitvoeren? Daarnaast hebben wij de vraag hoe een initiatiefnemer een machtiging kan intrekken wanneer hij zelf een aanvraag via het Omgevingsloket indient en daarbij zelf gemachtigden heeft toegevoegd. Is de werkwijze voor het intrekken van een machtiging in dat geval dezelfde?'
Bij het indienen van een verzoek kan een initiatiefnemer direct meegeven of het mensen als gemachtigde wil aanwijzen. Wat nog niet iedereen weet, is dat de initiatiefnemer ook ná het indienen van een verzoek de gemachtigde in het project kan wijzigen of de machtiging helemaal kan intrekken. Daarom bieden onze DSO-deskundigen in het Helpcentrum van het Omgevingsloket extra uitleg, op de nieuwe pagina Gemachtigde wijzigen of toevoegen na het indienen van een verzoek.
Voorkom automatisch verwijderen van een project
Niet iedereen is zich ervan bewust dat een project in het Omgevingsloket automatisch wordt verwijderd na 1 jaar inactiviteit. Een voorbeeld hiervan is dat een vergunningstraject lange tijd stil kan komen te liggen nadat het bevoegd gezag een sterkere bouwconstructie heeft gevraagd. De aannemer moet dan een nieuwe berekening maken en sterkere materialen bestellen. Wil de initiatiefnemer of de aannemer daarvan later de bewijsstukken uploaden, dan kan het gebeuren dat het project al is verwijderd vanwege lange inactiviteit.
We raden daarom aan om mensen bij de start van een vergunningstraject erop te wijzen dat als een project langere tijd stilligt, ze even een kleine aanpassing moeten doen. Dit om te voorkomen dat het project verloopt. Bijvoorbeeld:
- de projectnaam een klein beetje aanpassen door een woord toe te voegen of te verwijderen
- een adviseur toevoegen en weer verwijderen
Meer informatie
Ga voor meer informatie naar het Helpcentrum: Automatisch verwijderen van projecten voorkomen.
Externe veiligheid
Veiligheidsafstand bij opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Bij de helpdesk krijgen we regelmatig signalen dat er onduidelijkheid bestaat over de veiligheidsafstanden bij de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen.
Voor een meldingsplichtige opslag (minder dan 10.000 kg) – bijvoorbeeld propaan in gasflessen – geldt een vaste veiligheidsafstand van 15 meter. Deze afstand is gebaseerd op artikel 4.1008 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en bijlage VII, onderdeel A11, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Bij opslag van 10.000 kg of meer geldt daarentegen een vergunningplicht. In die situatie was de regelgeving minder duidelijk: de veiligheidsafstanden (plaatsgebonden risico) uit bijlage VII, onderdeel B3, van het Bkl waren alleen van toepassing op brandbare gevaarlijke stoffen die fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen bevatten. Voor brandbare gevaarlijke stoffen zonder deze verbindingen ontbrak een expliciete verwijzing naar deze afstanden.
Deze signalen hebben we doorgespeeld aan het ministerie. Dit heeft geleid tot een wijziging in het concept-Verzamelbesluit Omgevingswet IenW externe veiligheid 2026. Met deze wijziging gelden de veiligheidsafstanden uit bijlage VII, onderdeel B3, van het Bkl voortaan voor alle brandbare gevaarlijke stoffen, ongeacht of zij de genoemde verbindingen bevatten. Dat betekent dat voor brandbare gevaarlijke stoffen met én zonder deze verbindingen dezelfde veiligheidsafstanden van toepassing zijn.
In de toelichting op de wijziging staat hierover: 'Onderdeel B.3 is gewijzigd omdat in de praktijk onduidelijkheid was ontstaan over de beoordeling van een vergunningaanvraag voor het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen van 10.000 kg of meer in een opslagplaats, als er geen sprake is van fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen. Onderdeel B.3 zag namelijk alleen op gevallen waarin uitsluitend of tevens brandbare gevaarlijke stoffen met die verbindingen worden opgeslagen. Met deze wijziging ziet het ook op het opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen als uitsluitend brandbare gevaarlijke stoffen worden opgeslagen zonder de genoemde verbindingen.'
Meer informatie
Consultatie Verzamelbesluit Omgevingswet IenW externe veiligheid 2026
Geluid
Interpretatie van 'representatief' in Omgevingsregeling
IPLO krijgt met enige regelmaat vragen over de interpretatie van het woord 'representatief' zoals dat staat in artikel 6.5 Omgevingsregeling over het bepalen van geluid. We lichten toe wat hiermee wordt bedoeld.
Bescherming van geluidgevoelige gebouwen
Allereerst is het van belang om onderscheid te maken tussen bescherming tegen geluid en het bepalen van geluid.
Beschermen tegen geluid
Artikel 5.59, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat het geluid door een op een locatie toegelaten activiteit op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar moet zijn. Hierbij maakt de wetgever geen onderscheid in beoordelingsperioden of woonlagen. De standaardwaarden en grenswaarden uit artikel 5.65 Bkl gelden in elke periode op elke bouwlaag van een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.60 Bkl). Het omgevingsplan regelt dus op basis van deze instructieregels het beschermingsniveau. En wanneer dat met waarden is gedaan, gelden de waarden voor het gehele gebouw.
Bepalen van geluid
Artikel 6.5 Omgevingsregeling regelt alleen waar het geluid wordt bepaald om aan te tonen dat aan de gestelde regels in het omgevingsplan wordt voldaan. Het artikel bepaalt niet wat en wanneer iets bescherming krijgt.
Wat wetgever met 'representatief' bedoelt
Elke woonlaag en elke gevel van een geluidgevoelig gebouw moet dus aan de gestelde waarden in het omgevingsplan voldoen. En door artikel 6.5 Omgevingsregeling is het mogelijk om dit te kunnen aantonen met een beperkt aantal meet- of rekenpunten. Artikel 6.5, lid 1 aanhef, Omgevingsregeling luidt: 'Het geluid op een geluidgevoelig gebouw wordt bepaald op een of meer punten waar het geluid representatief is.' Met 'representatief' bedoelt de wetgever dat de gekozen meet- of rekenpunten zodanig zijn, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of aan de geldende waarden in het omgevingsplan wordt voldaan. In de praktijk betekent dit dat wordt gekozen voor punten waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze bepalend zijn voor de beoordeling. Vaak zijn dat de plekken waar het geluid het hoogst is, zoals een bepaalde bouwlaag of de gevel die het dichtst bij de activiteit ligt.
Meer informatie
Bekijk de recent toegevoegde pagina's over Bepalen van geluid.
Landbouw
Vragen rond overgangsrecht regels veehouderij
Door de stikstofcrisis is er veel onzekerheid in de veehouderijsector over de rechtsgeldigheid van vergunningen. Bevoegde gezagen zijn soms onzeker over de status van een situatie.
Een veehouder heeft bijvoorbeeld een vergunning gekregen voor een emissiearme vloer van het type xy, maar heeft in werkelijkheid een net iets andere vloer (type xz) laten aanleggen. Of het is een casus over een melkveestal met een luchtwasser die nooit bemeten is en die je alleen mag gebruiken als deze vóór een bepaalde datum aangelegd of vergund is. Of een veehouder heeft weliswaar een melding gedaan, maar als een toezichthouder op het bedrijf komt, blijkt er sprake te zijn van een andere situatie dan in de melding stond. De vraag is dan wat de juridische status is van de situatie. Is de veehouder in overtreding? En welke acties zijn nodig om die huidige situatie in overeenstemming te brengen met de geldende regelgeving?
In veel gevallen kunnen we verwijzen naar de hoofdlijnen van het overgangsrecht, zoals te vinden op de pagina's Overgangsrecht veehouderij en Van Activiteitenbesluit en Bor naar Bal (was-wordt-tabellen). Maar zelfs met deze uitgebreide informatie komt het bevoegd gezag er niet altijd uit. In dat geval kan maatwerk nodig zijn. De helpdesk en onze specialisten staan dan klaar om extra uitleg te bieden. Soms zullen ze eerst tegenvragen stellen om na te gaan wat er precies is gemeld, of hoe de vergunningvoorwaarden indertijd luidden.
Lucht (Industriële Emissies)
Status van een brandstofcel
Een brandstofcel, vaak ook aangeduid met de naam fuel cell, zet (doorgaans) waterstof en zuurstof via een elektrochemische reactie om in elektriciteit, water en restwarmte. Die elektriciteit kun je via elektromotoren omzetten in beweging, in bijvoorbeeld een waterstoftruck. Maar ook als alternatief voor bijvoorbeeld een aggregaat op diesel, om er op een bouwplaats werktuigen mee aan te drijven. Maar wat is de status van een brandstofcel, wilde een bevoegd gezag weten. Is het een stookinstallatie zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), paragraaf 3.2.1?
Het antwoord luidt: nee. Een brandstofcel in bijvoorbeeld een waterstofaggregaat valt niet onder de milieubelastende activiteit stookinstallaties (paragraaf 3.2.1 Bal). Bijlage I van het Bal geeft de volgende definitie van het begrip stookinstallatie: 'technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd om de warmte die zo wordt opgewekt te gebruiken'. Het 'oxideren' van brandstoffen in deze definitie moet worden gelezen als het 'verbranden' of 'verstoken' van brandstoffen.
Een brandstofcel werkt anders. In een brandstofcel stroomt waterstofgas (H2) langs een anode. Een katalysator splitst de waterstofmoleculen in protonen en elektronen. De elektronen kunnen niet door het membraan en worden gedwongen om via een extern circuit naar de kathode te reizen. Deze stroom elektronen is de elektriciteit waar het om te doen is. De protonen gaan wél door het membraan en ontmoeten de elektronen aan de andere kant. Aan de kathode reageren de protonen, elektronen en zuurstof (O2) met elkaar. De reststoffen die hierbij ontstaan, zijn water (H2O) en warmte. Het Bal geeft geen voorschriften voor brandstofcellen.
Systematiek Omgevingswet en Ruimte
IPLO eerste aanspreekpunt om experiment aan te melden
De experimenteerbepaling is een instrument uit de Omgevingswet. Deze is voortgekomen uit de Crisis- en herstelwet, die 2 elementen in zich had: versnellen van procedures en het bij experiment afwijken van geldende regels. Het versnellen van procedures is onderdeel geweest bij de ontwikkeling van de Omgevingswet, het verminderen van het aantal vergunningplichtige activiteiten en, als er een vergunningplicht noodzakelijk is, zoveel mogelijk toepassen van de reguliere procedure.
De experimenteerbepaling biedt mogelijkheden om, bij wijze van experiment, af te wijken van bepaalde regels. Een bestuursorgaan kan een verzoek doen om een bepaald project als experiment aan te wijzen. IPLO is het eerste aanspreekpunt voor het aanmelden van een experiment. Via het contactformulier kunt u de bedoeling van het experiment schetsen. IPLO neemt dan contact met u op om de reikwijdte en het doel van het experiment concreter te maken.
Als duidelijk is wat de reikwijdte is van het gewenste experiment, en welke regels er in de praktijk knellen, geeft IPLO dit door aan het ministerie. Het ministerie zal vervolgens contact opnemen met de aanvrager van het experiment. Uiteindelijk vindt de aanwijzing als experiment plaats in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Meer informatie staat op de overzichtspagina Experimenteerbepaling, waar u ook een verwijzing vindt naar de regels en randvoorwaarden van zo'n experiment.
Wanneer is bij woningbouwprojecten een mer(-beoordeling) nodig
Hoe zit het met de milieueffectrapportage (mer) bij woningbouwprojecten? Wanneer is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject? En wanneer je moet denken aan een plan‑mer of project‑mer?
Wanneer stedelijk ontwikkelingsproject?
Een woningbouwproject kan onder de mer-categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' vallen (categorie J11 uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit). Dit hangt af van de concrete omstandigheden, zoals aard en omvang van het project. Belangrijk is dat niet de milieugevolgen, maar de kenmerken van het project bepalen of deze categorie van toepassing is. Ook kleinere woningbouwprojecten kunnen daarom onder omstandigheden mer‑(beoordelings)plichtig zijn
Plan‑mer of project‑mer
Bij woningbouw speelt vaak de vraag welk type mer nodig is:
- Plan‑mer(-beoordeling): als het omgevingsplan een kader vormt voor toekomstige mer‑plichtige projecten, bijvoorbeeld door een locatiekeuze vast te leggen.
- Project‑mer(-beoordeling): als een besluit direct een woningbouwproject mogelijk maakt, zoals bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of wijziging van het omgevingsplan.
Soms komen beide situaties tegelijk voor, bijvoorbeeld wanneer een omgevingsplan zowel kaders stelt als direct woningbouw toestaat. In dat geval kan zowel een plan‑mer als project‑mer (beoordeling) nodig zijn. De praktijk laat zien dat het onderscheid bij woningbouw niet altijd eenvoudig is. Daarom hebben onze mer-experts recent de uitleg over Woningbouwprojecten en mer(-beoordeling) vernieuwd. De vernieuwde pagina helpt om per situatie te bepalen welke verplichtingen gelden en hoe deze samenhangen.
Doelgroepenverordening geldt niet bij toelaten nieuwe woningen
Veel gemeenten hebben vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een doelgroepenverordening vastgesteld. Hiermee kunnen ze betaalbare (nieuwbouw)woningen aan specifieke doelgroepen toewijzen. Het is goed om te weten dat deze verordening niet meer geldt voor het toelaten van nieuwe woningen.
Misverstanden over geldigheid
In de praktijk merken we dat er soms misverstanden zijn over de geldigheid van de bestaande verordening, omdat er ook overgangsrecht is. IPLO geeft uitleg op de pagina Bestaande gemeentelijke verordeningen en het omgevingsplan, onder de tussenkop Doelgroepenverordening.
Wijzigen regels over doelgroepen
Zolang het bestemmingsplan nog ongewijzigd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan staat, blijft de doelgroepenverordening daarop van toepassing (overgangsrecht). De gemeente kan een bestaande doelgroepenverordening niet meer wijzigen. Wijziging van de regels over doelgroepen kan alleen door nieuwe regels over woningbouwcategorieën in het omgevingsplan te stellen ter vervanging van de doelgroepenverordening.
Bij wijziging omgevingsplan of BOPA
Wijzigt een gemeente het omgevingsplan om nieuwe woningbouw toe te laten? Of verleent het daarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)? Dan geldt daarvoor niet de bestaande doelgroepenverordening. De gemeente moet dan nieuwe regels over woningbouwcategorieën opnemen in het omgevingsplan of in de voorschriften bij de BOPA. Die regels of vergunningvoorschriften moeten voldoen aan de instructieregels uit artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Feiten en cijfers
Website en helpdesk in mei 2026
- De IPLO-website had in mei 503.875 paginaweergaven en 187.885 sessies.
- Aan de helpdesk zijn 1.775 vragen gesteld.
Verdeling vragen per onderwerp in mei 2026
- Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) 37%
- Bodem 11%
- Bouw 9%
- Systematiek Omgevingswet en Ruimte 6%
- LAVS 6%
- Water 5%
- Systematiek milieubelastende activiteiten 4%
- Veiligheid 4%
- Geluid 3%
- Andere milieuthema's* 8%
- Overig** 7%
Taartdiagram van verdeling vragen aan IPLO in mei 2026

* Andere milieuthema's: Veehouderij, Lucht en geur, Energiebesparing, Natuur, Asbest, Luchtkwaliteit, Trillingen, Gezondheid
**Overig: ruimtelijkeplannen.nl, invoeringsondersteuning, algemeen, overig, onbekend
Stel uw vraag aan een expert van IPLO
Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid dat uitleg geeft over de Omgevingswet, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de regelgeving voor de leefomgeving. Op de website geven onze experts informatie over deze onderwerpen. En via de helpdesk beantwoorden we vragen van gemeenten, provincies, waterschappen en brancheorganisaties. Onze helpdesk is bij voorkeur bereikbaar via het vragenformulier.
Ondernemers en inwoners met vragen over de Omgevingswet, het Omgevingsloket en de leefomgeving kunnen terecht bij hun gemeente.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm. En organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen. En ook van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, met uitzondering van baggerspecie (artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit). Zie: Regels voor toepassen van baggerspecie.
Baggerspecie
Oppervlaktewaterlichaam
Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna. Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
Oppervlaktewater
Water in een oppervlaktewaterlichaam.
Een oppervlaktewaterlichaam is volgens de definitie in de bijlage bij de Omgevingswet het 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna'.