Drijvende bouwwerken
De Omgevingswet ziet woonboten, drijvende hotels, kantoren en restaurants en andere drijvende objecten als een bouwwerk Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup). Dit geldt niet voor schepen waarop mensen verblijven en die voor de vaart zijn bestemd en worden gebruikt (bijlage, onderdeel A Omgevingswet).
Op deze pagina
- Geen omgevingsvergunning bouwen nodig, wel regels
- Bouwtechnische regels bestaande drijvende bouwwerken
- Bouwtechnische regels nieuwe drijvende bouwwerken
- Afwijkingen nieuwbouwregels Bbl
- Verplaatsen en terugplaatsen drijvende bouwwerken
- Permanent verplaatsen drijvende bouwwerken
- Ligplaatsvergunning
Geen omgevingsvergunning bouwen nodig, wel regels
Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is geen omgevingsvergunning nodig voor het (ver)bouwen van een drijvend bouwwerk met een woonfunctie Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) en nevenfuncties daarvan. Een melding bij de gemeente is genoeg. Het (ver)bouwen wordt dan getoetst door een kwaliteitsborger. Maar er gelden wel regels.
De technische regels voor drijvende bouwwerken staan, net als voor grondgebonden bouwwerken, in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup). Daarnaast gelden de (ruimtelijke) regels uit het omgevingsplan. Daarin staan vaak eisen aan ligplaatsen en het uiterlijk van woonboten. Als iemand daarvan wil afwijken, moet hij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit aanvragen. Ook kan het omgevingsplan een binnenplanse vergunningplicht voor het bouwen Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) bevatten. Tot slot kunnen er soms lokale verordeningen gelden.
Bouwtechnische regels bestaande drijvende bouwwerken
Voor woonboten en andere drijvende objecten voor verblijf, zoals hotels of restaurants, die voor 1 januari 2018 al als drijvend bouwwerk bestonden, geldt de zorgplicht Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) voor de gezondheid, veiligheid (artikel 3.5 Bbl) en brandveiligheid (artikel 6.4 Bbl).
Let op: in hoeverre (al dan niet bedoeld) nog andere regels van het Bbl van toepassing zijn op deze woonboten, hotels of restaurants (bijvoorbeeld bij het verplaatsen ervan) is momenteel juridisch niet aan te geven. Dit is onder de aandacht bij het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).
Artikel 131 van de Woningwet regelde vroeger dat de bouwtechnische regels niet golden voor onder andere woonboten die al voor 1 januari 2018 bestonden. Maar nu staat dat artikel niet meer in de Woningwet.
Bouwtechnische regels nieuwe drijvende bouwwerken
Het Bbl onderscheidt 2 soorten nieuwe drijvende bouwwerken waarvoor deels andere eisen gelden:
- voormalige varende schepen
- overige nieuwe drijvende bouwwerken
In artikel 2.31 van het Bbl staat dat de technische regels uit het Bbl niet van toepassing zijn op een woonfunctie door functiewijzigingen van een schip. Wel geldt de zorgplicht voor de gezondheid of de veiligheid (artikel 3.5 Bbl) en brandveiligheid (artikel 6.4 Bbl).
Voor drijvende bouwwerken die nieuw gebouwd worden, zijn sommige eisen uit het Bbl aangepast, versoepeld of niet van toepassing verklaard (artikel 4.10 Bbl). Het gaat dan bijvoorbeeld om drijvende watervilla’s en restaurants.
In de praktijk blijkt dat de eisen van een aantal nieuwbouwregels niet altijd haalbaar zijn. Dit komt doordat gemeenten uit ruimtelijk oogpunt eisen aan ligplaatsen stellen. Denk aan de toegestane hoogte boven het water, diepgang, maximale lengte en breedte van een drijvend bouwwerk.
Afwijkingen nieuwbouwregels Bbl
Sommige regels over bruikbaarheid niet van toepassing
Voor nieuwe drijvende bouwwerken zijn de volgende regels over bruikbaarheid niet van toepassing (artikel 4.10, lid 1 Bbl):
- badruimte (paragraaf 4.5.4)
- buitenberging (paragraaf 4.5.5)
- buitenruimte (paragraaf 4.5.6)
Regels over milieuprestatie niet van toepassing
Vanaf 1 juli 2026 gelden de regels over de milieuprestatie (paragraaf 4.4.2) niet voor drijvende bouwwerken.
Soms gelden regels voor bestaande bouw in plaats van nieuwbouwregels
Soms gelden voor veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid de regels voor bestaande bouw uit hoofdstuk 3 van het Bbl in plaats van die voor nieuwbouw (artikel 4.10, lid 1 Bbl). In de tabel hierna staat dit aangegeven.
| Onderwerp | Welke regels gelden | Welke regels gelden niet |
|---|---|---|
| Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan | paragraaf 3.2.3 | paragraaf 4.2.3 |
| Veilig overbruggen van hoogteverschillen en trap | paragraaf 3.2.4 | paragraaf 4.2.4 |
| Daglicht | paragraaf 3.3.6 | paragraaf 4.3.10 |
| Verblijfsgebied en verblijfsruimte | paragraaf 3.5.1 | paragraaf 4.5.2 |
| Toiletruimte | paragraaf 3.5.2 | paragraaf 4.5.3 |
| Opstelplaatsen aanrecht, kooktoestel, verwarmingstoestel, warmwatertoestel | paragraaf 3.5.3 | paragraaf 4.5.7 |
| Breedte en hoogte vrije doorgang van een vluchtroute | artikel 3.59, lid 1 | artikel 4.78, lid 1 |
Deze afwijkingen zijn in lijn met de lagere eisen die in het Bbl ook gelden voor het bouwen van grondgebonden woningen in particulier eigendom. Voor drijvende bouwwerken gelden deze lagere eisen niet alleen voor gebruik als woning, maar ook voor ander gebruik. Bijvoorbeeld voor drijvende winkels.
Bereikbaarheid, hellingbaan
Gaat het om een drijvend bouwwerk zonder toegankelijkheidsector? Zoals een woonboot? Dan gelden de nieuwbouwregels over de volgende onderwerpen niet:
- hellingbaan, hellingbaanbordes, geleiderand (artikelen 4.30 tot en met 4.32)
- bereikbaarheid (paragrafen 4.6.1 en 4.6.3)
Artikel 4.10, lid 2, van het Bbl regelt dit.
Gaat het om een drijvend bouwwerk met toegankelijkheidssector? Zoals drijvende restaurants, theaters en winkels die kunnen hebben? Dan is een steiger (in plaats van een verhard pad) een optie om de bereikbaarheid van het gebouw vanaf de openbare weg te realiseren (artikel 4.192, lid 1 Bbl). Die moet wel voldoen aan voorwaarden.
Deze afwijkingen zijn aanvullend op de eerder genoemde afwijkingen.
Afstand tot perceelsgrens is fictief 2,5 meter
Veel drijvende bouwwerken hebben een ligplaats en liggen niet op een perceel. Daarom is het toegestaan om van een fictieve afstand van 2,5 m uit te gaan tussen het drijvende bouwwerk en de perceelsgrens (artikel 4.10, lid 3 Bbl). De perceelsgrens speelt een rol bij de regels over brandwerendheid, daglicht en ventilatie.
Uitgaan van deze fictieve afstand is overigens een optie. Betrokkenen mogen ook de echte, feitelijke afstand tot de perceelsgrens aanhouden.
Steiger is het 'aansluitende terrein' bij regels over vluchtroutes
De regels over vluchtroutes (paragraaf 4.2.10 Bbl) spreken soms van 'aansluitend terrein'. Het is toegestaan om de steiger tussen het drijvende bouwwerk en de wal als 'aansluitend terrein' te beschouwen bij het toepassen van die regels (artikel 4.10, lid 4 Bbl). Hierdoor mag een vluchtroute van een drijvend bouwwerk uitkomen op een steiger. Zonder deze mogelijkheid zou een vluchtroute bij een drijvend bouwwerk moeten uitkomen bij de oever of wal. Dit zouden dan zwaardere eisen kunnen inhouden voor de steiger. Met name bij een zogenaamde enkele vluchtroute over een steiger waarbij mensen langs andere woonboten moeten vluchten. Vooral bij vervanging van woonboten op bestaande ligplaatsen zou dit tot praktische problemen kunnen leiden.
Meer informatie over de regels van paragraaf 4.2.10 is te vinden in het infoblad Vluchten bij brand (nieuwbouw) (pdf, 1.3 MB).
Aansluiting elektra, gas en warmte
De verplichting tot aansluiting op het distributienet voor elektriciteit, gas en warmte is nog niet van toepassing. Een aansluiting op vrijwillige basis is wel mogelijk. Maar na het in werking treden van de Omgevingswet, kan de gemeente dit aanpassen. Regels over deze aansluitingen staan dan namelijk in het omgevingsplan. En dat kan iedere gemeente aanpassen, waardoor er dus lokale verschillen kunnen ontstaan.
Constructieve veiligheid
In het Bbl staan regels over de stabiliteit, het drijfvermogen en de sterkte van een drijvend bouwwerk voor nieuwbouw (paragraaf 4.2.1a Bbl) en verbouw (artikel 5.9, lid 2 Bbl). De regels sluiten aan bij de NTA 8111. Dat is een gangbare norm voor het berekenen van de constructieve veiligheid van drijvende bouwwerken.
Het rapport van Hageman, Constructieve veiligheid drijvende bouwwerken van 5 september 2017, biedt handvatten voor de beoordeling. Dit rapport beantwoordt met name de vraag hoe u rekening kunt houden met golven door beroepsvaart en getijdenstroming.
Energiezuinigheid op bestaande ligplaatsen
Op zich kunnen nieuw te bouwen drijvende bouwwerken aan de eisen voor energiezuinigheid uit het Bbl (paragraaf 4.4.1) voor nieuwbouw voldoen. Maar bij nieuwe drijvende bouwwerken op bestaande ligplaatsen (dat wil zeggen: die op 1 januari 2018 bestonden) ontstaan problemen. Daarom gelden voor deze categorie ligplaatsen soepelere eisen:
- een maximaal primair fossiel energiegebruik van 70 kWh/m²·jr, in plaats van 50. Het aandeel hernieuwbare energie is hetzelfde, namelijk 50% (artikel 4.149, lid 1 Bbl).
- een warmteweerstand (Rc-waarde, bepaald volgens NTA 8800) van minimaal 3,7 m²·K/W voor de uitwendige scheidingsconstructie van het drijvende bouwwerk (artikel 4.152 lid 2 Bbl). Hogere eisen leiden bij bestaande ligplaatslocaties tot te kleine gebruiksruimten, omdat de isolatieschil te dik wordt. Er geldt hierbij dezelfde Rc-waarde voor het hele drijflichaam van het drijvende bouwwerk (vaak een betonbak). Zo is er geen verschil in eisen voor het deel van de bak boven en onder de waterspiegel.
Verplaatsen en terugplaatsen drijvende bouwwerken
Soms moet een drijvend bouwwerk verplaatst en teruggeplaatst worden. Bijvoorbeeld voor onderhoud, of omdat er gebaggerd moet worden. In die gevallen hoeft de eigenaar niet opnieuw een vergunning voor een bouwactiviteit aan te vragen of een melding in te dienen. Datzelfde geldt voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een bouwactiviteit (artikel 5.36a, lid 2 Omgevingswet).
Het moet om hetzelfde bouwwerk gaan dat op de oorspronkelijke plaats wordt teruggeplaatst. Is het bouwwerk verbouwd en heeft het andere afmetingen gekregen die niet meer passen binnen de oude vergunning? Dan moet opnieuw gekeken worden of de nieuwe situatie op zichzelf vergunningvrij, meldingsplichtig of vergunningplichtig is.
De gemeente kan in een omgevingsvergunning (voor een bouwactiviteit of voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit een bouwactiviteit) opnemen dat het drijvende bouwwerk om andere redenen dan werkzaamheden na verplaatsing teruggeplaatst mag worden op de oorspronkelijke plaats (artikel 5.36a, lid 3 Omgevingswet). Wil de gemeente daarbij voorwaarden stellen, dan kan dat in de vergunning.
Permanent verplaatsen drijvende bouwwerken
Wordt een drijvend bouwwerk permanent op een andere plaats in het water geplaatst? Dan is er sprake van een nieuwe situatie. Er is dan een nieuwe melding of een vergunningaanvraag nodig voor de technische bouwactiviteit. Ook moet het omgevingsplan op die locatie een drijvend bouwwerk toestaan en gelden de (ruimtelijke) regels en welstandseisen uit het omgevingsplan.
De technische eisen blijven bij een permanente verplaatsing hetzelfde. Drijvende objecten van vóór 1 januari 2018 en een schip met een nieuwe functie, moeten alleen voldoen aan de zorgplicht voor de gezondheid of de veiligheid (artikel 3.5 Bbl) en brandveiligheid (artikel 6.4 Bbl). In alle andere situaties gelden de nieuwbouweisen.
Ligplaatsvergunning
Veel gemeenten, provincies of waterschappen kennen een ligplaatsverordening vanwege toezicht op de ligplaatscapaciteit, openbare orde en vlotte en veilige doorvaart. In de meeste ligplaatsenverordeningen staat dat een ligplaatsvergunning nodig is. Deze ligplaatsvergunning staat los van de omgevingsvergunning of melding voor een bouwactiviteit. Of van een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het te bouwen van een drijvend bouwwerk. De ligplaatsverordening blijft bestaan onder de Omgevingswet.
Bouwwerk
Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
Woonfunctie
Gebruiksfunctie voor het wonen. Deze begripsbepaling staat in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Lees meer op de pagina Gebruiksfunctie: woonfunctie.
Gerelateerd begrip
Binnen het begrip 'woonfunctie' is de volgende begripsbepaling uit bijlage I, Bbl van toepassing.
Gebruiksfunctie: gedeelte van 1 of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is één van de 4 algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) onder de Omgevingswet. Het Bbl bevat regels over bouwwerken.
Binnenplanse omgevingsplanactiviteit
De binnenplanse omgevingsplanactiviteit omvat alle activiteiten waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren ervan zonder omgevingsvergunning verboden is.
- Meer informatie op de pagina Omgevingsplanactiviteit (OPA).
Zorgplicht
De zorgplicht in de Omgevingswet geldt voor overheden, bedrijven en burgers. De wet kent een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht.
De algemene zorgplicht houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Het algemeen verbod houdt in dat het verboden is een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan.
Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. Zoals het regelmatig legen van een lekbak.
Lees meer over het begrip zorgplicht in de Omgevingswet.