Kamerbrief voortgang implementatie EPBD IV juni 2026
Het kabinet heeft op 8 juni 2026 een kamerbrief gepresenteerd waarin wordt ingegaan op de verdere invoering van de Europese richtlijn EPBD IV. De gepresenteerde maatregelen moeten zorgen voor meer duidelijkheid en voorspelbaarheid richting een emissievrije gebouwde omgeving in 2050, met concrete stappen voor woningeigenaren, utiliteitsbouw en de bouwsector.
ZEB als richtlijn voor verduurzaming
Als onderdeel van EPBD IV worden richtwaarden opgesteld voor Zero Emission Buildings (ZEB) voor bestaande gebouwen. Deze geven gebouweigenaren inzicht in hoe zij hun gebouw toekomstbestendig kunnen maken. De richtwaarden richten zich op 4 onderdelen:
- isolatie
- efficiënte installaties
- aardgasvrij
- hernieuwbare energie
Voor isolatie vormt de bestaande isolatiestandaard de basis. Deze wordt nu herijkt met een aangepast ambitieniveau, meer differentiatie tussen woningtypen en de toevoeging van concrete maatregelpakketten.
Voor efficiënte en aardgasvrije installaties wordt voorlopig een aanpak gehanteerd met concrete maatregelen en indicaties voor prestaties van systemen voor verwarming en warm tapwater. Een definitieve invulling volgt later, omdat de rekenmethode voor energieprestaties wordt aangepast.
Voor hernieuwbare energie wordt voorlopig aangesloten bij bestaande eisen voor ingrijpende renovaties. Voor andere gebouwen worden naar verwachting rond 2030 aparte richtwaarden vastgesteld.
De ZEB-richtwaarden blijven tot 2030 gebaseerd op de huidige rekenmethode en worden daarna opnieuw bepaald op basis van kosten en effectiviteit. Ze worden vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving, maar zijn niet verplicht voor bestaande gebouwen. Ze dienen vooral als richtinggevend kader. Voor overheidsgebouwen geldt wel een verplichting om jaarlijks 3 procent van het vloeroppervlak naar ZEB-niveau te renoveren.
MEPS: minimum eisen voor utiliteitsbouw
De EPBD IV stelt minimumenergieprestatie-eisen aan winkels, scholen en andere utiliteitsgebouwen, de zogeheten Minimum Energy Performance Standards (MEPS). Deze eisen richten zich specifiek op de slechtst presterende gebouwen. Het doel is dat in 2030 16 procent van deze gebouwen is verbeterd en in 2033 26 procent. De doelstelling voor 2030 komt in de praktijk grotendeels overeen met het behalen van minimaal energielabel D.
Gebouweigenaren krijgen enige flexibiliteit in hoe zij hieraan voldoen: dit kan via een energielabel of op basis van het daadwerkelijke energiegebruik. Daarnaast wordt gewerkt aan een systeem waarbij eigenaren met meerdere gebouwen verduurzaming kunnen spreiden over hun portefeuille, zolang het totale resultaat sneller richting een emissievrije situatie gaat.
Ook wordt gezocht naar betere aansluiting op bestaande verplichtingen zoals de energiebesparingsplicht.
Nieuwe bepalingsmethode energieprestatie vanaf 2030
De bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen wordt vanaf 2030 gemoderniseerd om een realistischer beeld te geven van het werkelijke energiegebruik. De nieuwe methode rekent niet langer met maandgemiddelden, maar op uurbasis, en houdt beter rekening met installaties, klimaatverandering en het daadwerkelijke gebruik van gebouwen.
Ook worden de aannames in de berekeningen aangepast, zodat die minder conservatief zijn en beter aansluiten bij de praktijk. Dit moet leiden tot nauwkeurigere energielabels en een betere onderbouwing van beleid en maatregelen.
Vooruitblik en aanvullende trajecten
Naast ZEB en MEPS lopen er aanvullende trajecten:
- Nationaal Gebouw Renovatieplan
- routekaart voor CO₂‑uitstoot over de levenscyclus van gebouwen (richting 2027)
- aanvullende eisen voor nieuwbouw, zoals beperking van piekverbruik vanaf 2028
Meer informatie
De aangepaste tijdlijn van de implementatie vindt u via Tijdlijn ontwikkelingen EPBD IV.
Via open overheid kunt u de hele kamerbrief teruglezen.