Bepalen geluid en geluidgevoelig gebouw
Geluid wordt bepaald op de gevel en in geluidgevoelige ruimten van een geluidgevoelig gebouw. De regels hiervoor staan in de Omgevingsregeling.
Waar het geluid wordt bepaald
Het bevoegd gezag bepaalt het geluid op een geluidgevoelig gebouw op 1 of meer punten waar het geluid representatief is. Dat wil zeggen waar het geluid naar verwachting het hoogst is. Dit geldt zowel in horizontale als in verticale richting. De verticale locatie van deze punten is altijd:
- op twee derde van de hoogte van een bouwlaag van een gevel, of waar een gevel mag komen
- op twee derde van de hoogte van een bouwlaag op de begrenzing van de standplaats voor een woonwagen
- op 1 m boven het maaiveld op de begrenzing van de ligplaats voor een woonschip
Dit staat in de artikelen 3.2, 6.5 en 8.21 van de Omgevingsregeling.
Geluid gereflecteerd door de gevel wordt buiten beschouwing gelaten (artikel 3.4, onder a, artikel 6.6, 6.8, 6.9, 8.22, 8.25, 8.26, Omgevingsregeling).
Situaties waarin het geluid wordt bepaald
Het bevoegd gezag bepaalt geluid op een geluidgevoelig gebouw in de volgende situaties:
- bij het beheersen van het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (afdeling 3.1, Omgevingsregeling)
- bij het stellen van regels in het omgevingsplan (paragraaf 8.2.3.2, Omgevingsregeling)
- bij het bepalen of het geluid door een activiteit voldoet aan regels in het omgevingsplan (paragraaf 6.2.1, Omgevingsregeling )
- bij een projectbesluit (paragraaf 8.2.3.2, Omgevingsregeling, via artikel 10.1, Omgevingsregeling)
Dit is ook van toepassing bij het bepalen van:
- het geluid door een verplaatsbaar mijnbouwwerk (artikel 4.12e, lid 2, Omgevingsregeling)
- het geluid door windturbines in een park dat ongewijzigd is sinds juli 2021 (artikel 4.12b, Omgevingsregeling)
- het geluid door een windturbine of windpark bij een beoordeling van een omgevingsvergunning mba (artikel 9.5a, Omgevingsregeling)
- het geluid door militaire buitenschietbanen en militaire terreinen bij een beoordeling van een omgevingsvergunning mba (artikel 9.5b, Omgevingsregeling)
- de dagwaarden bij bouw- en sloopwerkzaamheden (artikel 5.60, Omgevingsregeling)
- de dagwaarden van het geluid door mobiele puinbreker (artikel 5.60, Omgevingsregeling).
Bepalen geluid in geluidgevoelige ruimten
De regels over het bepalen van geluid in geluidgevoelige ruimte kunnen van toepassing zijn op:
- het beheersen van het geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen (afdeling 3.1, Omgevingsregeling)
- het stellen van regels in het omgevingsplan (par 8.2.3.2, Omgevingsregeling)
- het bepalen of het geluid door een activiteit voldoet aan regels in het omgevingsplan (paragraaf 6.2.1, Omgevingsregeling)
- een projectbesluit (paragraaf 8.2.3.2 , Omgevingsregeling via artikel 10.1, Omgevingsregeling)
- het beoordelen van een omgevingsvergunning mba (artikel 8.24 via artikel 9.5, Omgevingsregeling). Maar deze beoordeling is overbodig. Het voldoen aan de grenswaarden in geluidgevoelige ruimte is al geborgd in het (tijdelijk deel) van het omgevingsplan.
Bij een niet-in- en aanpandig geluidgevoelig gebouw
Het bevoegd gezag bepaalt het geluid in geluidgevoelige ruimten door het geluid op de gevel te verminderen met de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. Die karakteristieke geluidwering wordt bepaald volgens NEN 5077 of NEN-EN-ISO 12354-3. Als NEN 5077 wordt toepast, zijn de standen van de ventilatieopeningen 'open' en van de mechanische ventilatie 'aan'. Dit staat in artikel 3.3 en 8.24 van de Omgevingsregeling.
Bij een in- en aanpandig geluidgevoelig gebouw
Het bevoegd gezag past NEN 5077 en NEN-EN-ISO 12354-3 toe op het bepalen van geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Als NEN 5077 wordt toegepast, zijn de standen van de ventilatieopeningen ‘open’ en van de mechanische ventilatie 'aan'. Dit staat in artikel 6.7 en 8.23 van de Omgevingsregeling.