IPLO Uitgelicht augustus 2026
In een maand die zich kenmerkte door grote droogte kregen we onder meer vragen over schutten bij lage waterstanden, of een kademuur een waterkerende constructie is en hoe het bevoegd gezag invloed kan uitoefenen op BBT-conclusies en BREF-documenten.
In IPLO Uitgelicht gaan we maandelijks in op wat ons opvalt aan de vragen die we krijgen. Daarnaast bieden we inzicht in feiten en cijfers, zoals de vraagaantallen, de verdeling over de verschillende onderwerpen en het bezoek aan iplo.nl.
Vraag van de maand
Wie is verantwoordelijk voor de programmaplicht voor fijnstof (PM2,5)?
De herziene Europese richtlijn luchtkwaliteit scherpt per 2030 de grens- en streefwaarden voor belangrijke luchtverontreinigende stoffen verder aan. Ook voor fijnstof, en wel voor de fracties PM10 en PM2,5. PM2,5 bestaat uit deeltjes met een doorsnede van maximaal 2,5 micrometer. Maar wie heeft nu welke verantwoordelijkheid voor het halen van de normen voor PM2,5?
Om dat duidelijker te maken, publiceerde IPLO de pagina Verantwoordelijkheid programmaplicht PM2,5. Daar leggen we uit dat de programmaplicht voor de omgevingswaarden voor PM2,5 is verdeeld tussen gemeenten en de rijksoverheid. Voor de omgevingswaarden in algemene zin, en dus ook voor PM2,5, ligt de plicht voor het opstellen van een programma bij (dreigende) overschrijdingen bij gemeenten. Een uitzondering hierop is de programmaplicht voor de omgevingswaarde voor de gemiddelde blootstellingsindex (GBI) van PM2,5 op stedelijke achtergrondconcentraties. Deze plicht ligt bij de rijksoverheid.
Wat opviel in augustus
Bodem
Zorgplicht in de praktijk
De zorgplicht verplicht iedereen bij (dreigende) bodemverontreiniging tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om:
- nieuwe verontreinigingen of aantastingen van de bodem te voorkomen en te beperken
- verontreinigingen of aantastingen ongedaan te maken
Dat ongedaan maken van een verontreiniging gebeurt meestal door een herstelsanering. De verontreinigde bodem wordt dan verwijderd en afgevoerd naar een verwerker. Soms moet ook het grondwater gesaneerd worden.
Vanuit de praktijk krijgen we vragen hoe een melding over de sanering aan het bevoegd gezag moet plaatsvinden. Moet dit via het Omgevingsloket? En zo ja, met welk formulier?
Goed om te weten is dat bij een herstelsanering in het kader van de zorgplicht het informeren van het bevoegd gezag net iets anders is geregeld dan bij een 'reguliere' sanering. Om hier duidelijkheid over te geven, hebben wij aan de webpagina over de Zorgplicht bodem een onderdeel toegevoegd: Zorgplicht in de praktijk. Hier leest u wanneer en hoe het bevoegd gezag geïnformeerd moet worden en welke meld- en informatieplichten er gelden.
Bouw
Valt een kademuur onder de Wkb?
Sinds 1 januari 2024 geldt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). De Wkb maakt deel uit van het stelsel van bouwregelgeving onder de Omgevingswet en is uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit.
Onder de Wkb zijn bouwwerken ingedeeld in gevolgklassen. Hoe groter de gevolgen zijn als er iets misgaat met het bouwwerk, hoe hoger de gevolgklasse. Gevolgklasse 1 is de gevolgklasse met beperkte gevolgen als er iets misgaat. Voor bouwwerken die hieronder vallen, geldt dat voor de technische bouwactiviteit geen omgevingsvergunning meer nodig is. In plaats daarvan geldt een meldingsplicht. Dit volgt uit de artikelen 2.17 en 2.18 van het Bbl. Het gaat onder meer over grondgebonden woningen, bedrijfspanden van maximaal 2 bouwlagen, fiets- en voetgangersbruggen en diverse andere relatief eenvoudige bouwwerken.
De Wkb is momenteel uitsluitend van toepassing op de nieuwbouw van bouwwerken die onder gevolgklasse 1 vallen. Het onderbrengen van verbouwactiviteiten in gevolgklasse 1 is voor onbepaalde tijd uitgesteld.
Verschil kademuur en waterkerende constructie
Een regelmatig terugkerende vraag is of een kademuur moet worden aangemerkt als een waterkerende constructie en daardoor buiten gevolgklasse 1 valt.
Het begrip waterkerende constructie moet beperkt worden uitgelegd. Denk daarbij aan constructies waarvan de primaire functie bestaat uit het keren of beheersen van water, zoals stuwen, sluizen en vergelijkbare waterstaatswerken. De wetgever beschouwt een kademuur niet als een dergelijke waterkerende constructie.
Uit de toelichting op artikel 2.17 van het Bbl blijkt juist dat een kademuur is aan te merken als een bouwwerk dat onder gevolgklasse 1 valt. De Nota van Toelichting bij de Wkb merkt hierover op: 'Hierbij gaat het om andere bouwwerken dan die voor infrastructurele bouwwerken voor langzaam verkeer als bedoeld onder f, die niet hoger zijn dan 20 meter. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld kademuren en voorzieningen voor het overbruggen van hoogteverschillen, gemalen en afvalcontainers (voor zover niet vergunningvrij). Bouwwerken als tv-masten of windmolens zijn hiervan als gevolg van de beperking in de hoogte uitgezonderd. Waterkerende constructies, zoals stuwen en sluizen, zijn uitgesloten van gevolgklasse 1.'
Hieruit volgt dat de wetgever bewust onderscheid heeft gemaakt tussen kademuren enerzijds en waterkerende constructies anderzijds. Waterkerende constructies zijn in artikel 2.17, lid 3, onderdeel g, Bbl uitgezonderd van gevolgklasse 1. Daarmee heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat dergelijke bouwwerken niet onder het Wkb-stelsel voor gevolgklasse 1 vallen. Daarom zijn kademuren wel vergunningplichtig voor de technische bouwactiviteit.
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)
Toepasbare regels verbeteren met nieuwe pagina
Toepasbare regels zijn een belangrijk onderdeel binnen het Omgevingsloket. Tegelijkertijd kan het opstellen ervan complex zijn. Aan de ene kant hebben bevoegde gezagen moeite om goede toepasbare regels op te stellen. En aan de andere kant lopen particulieren regelmatig vast als ze toepasbare regels proberen te beantwoorden.
Sinds eind juli staat de nieuwe pagina Toepasbare regels controleren met overzichten live. Hiermee kunt u 9 verschillende overzichten aanvragen waarmee u als bevoegd gezag uw toepasbare regels kunt verbeteren. Met de overzichten krijgt u snel inzicht in mogelijke knelpunten. Zoals ontbrekende instellingen bij activiteiten, toegankelijkheidsproblemen en ontbrekende verwijzingen naar locaties bij geo-vragen. Zo kunt u gericht uw toepasbare regels verbeteren.
Prognose tot 2028 nu beschikbaar
De ontwikkelteams van het DSO publiceren ieder kwartaal een planning met waar ze het volgende kwartaal aan werken: Plannen voor ontwikkeling voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Al langer bestond de behoefte om ook te kunnen zien welke ontwikkelingen eraan komen in de verdere toekomst. Sinds kort is die er nu: Prognose ontwikkeling DSO voor de lange termijn – vanaf 3e kwartaal 2026. Hierin kijken de opdrachtgever, de koepels en de ontwikkelaars 6 kwartalen vooruit. Als u door deze pagina scrolt, ziet u de plannen niet alleen in tabelvorm maar ook in infographics. Daardoor is in één oogopslag te zien waar de teams tot en met eind 2027 aan werken. Onderaan vindt u een knop waarmee u kunt doorgeven wat u van de pagina vindt. Met uw feedback kunnen de ontwikkelaars deze pagina verder verbeteren.
Externe veiligheid
Wet en Besluit veilige jaarwisseling in werking getreden
De Wet en het Besluit veilige jaarwisseling zijn op 1 augustus 2026 in werking getreden. De Wet veilige jaarwisseling regelt een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten. Dat betekent dat burgers zelf geen vuurwerk meer mogen afsteken, met uitzondering van F1-vuurwerk zoals sterretjes. Professionele vuurwerkontbrandingen blijven wel mogelijk. De pagina Vuurwerkvragen jaarwisseling is geactualiseerd en geeft antwoorden op veelgestelde vragen over de wet- en regelgeving.
Geluid
Vraag en antwoord vanuit toekomstperspectief
'Kan ik geluidvoorschriften opnemen in de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (mba) bij een complex bedrijf?'
Deze vraag komt met enige regelmaat terug bij onze helpdesk. Vandaar dat we deze vraag en het antwoord erop onder de aandacht brengen in deze IPLO Uitgelicht. Maar laten we het even vanuit een ander perspectief bekijken. Want: wat is de reden waarom je voorschriften aan geluid wilt stellen? We kijken wat verder in de toekomst en formuleren de vraag dan als volgt:
'Hoe zorg ik ervoor dat woningen in de omgeving voldoende beschermd worden tegen geluid van een complex bedrijf dat iets wil veranderen in 2032?'
Het antwoord luidt: dat heeft u in 2032 al geregeld in het omgevingsplan. De regels in het omgevingsplan bieden dan al voldoende bescherming tegen geluid.
Toelichting
We geven een toelichting op dit antwoord aan de hand van 4 aanvullende vragen:
- Heb ik voldoende bescherming al geregeld dan?
- En als het bedrijf meer geluid wil maken dan is toegestaan in het omgevingsplan?
- Wat moet ik dan doen met die aanvraag omgevingsvergunning mba?
- En het bedrijf minder geluid maakt dan is toegestaan in het omgevingsplan?
1. Voldoende bescherming
In het omgevingsplan anno 2032 heeft iedere gemeente regels gesteld die erin voorzien dat er sprake is van aanvaardbaar geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw. Mogelijk is er differentiatie in waarden in verschillende gebieden, maar op iedere locatie heeft de gemeente de afweging gemaakt dat in die waarden de afweging tussen beschermen en benutten is geborgd. Daarbij heeft de gemeente voor die locatie naast de bestaande planologische belangen ook gekeken naar de milieubelangen (maatwerkvoorschriften omgevingsplan en nog bestaande voorschriften geluid bij een omgevingsvergunning mba). Een bedrijf kan voor het aspect geluid zijn bedrijfsvoering zoveel wijzigen als het wil, als het maar blijft voldoen aan de regels en eventuele informatieplichten van het omgevingsplan.
2. Meer geluid
Als een bedrijf meer geluid wil maken – en als de gemeente daaraan wil meewerken – dan regelt de gemeente dat via een wijziging van het omgevingsplan. Of het bedrijf vraagt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aan. Dat moet met deze instrumenten, omdat het bevoegd gezag een nieuwe belangenafweging moet maken tussen beschermen van de omgeving en benutten van de locatie. Dat kan niet met de omgevingsvergunning mba, omdat het oogmerk daarvan alleen gericht is op bescherming, niet op benutten.
3. Aanvraag voor een omgevingsvergunning mba
Voorschriften bij de omgevingsvergunning mba neemt u als bevoegd gezag alleen op als, gezien de beoordelingsregels in afdeling 8.5 Bkl, u zonder de voorschriften de omgevingsvergunning niet kunt verlenen. Omdat de beoordelingsregels over geluid gericht zijn op de emissie van de activiteiten (preventieve maatregelen en beste beschikbare technieken), hebt u ook geen reden om voorschriften met waarden voor geluid op te nemen over bescherming van de omgeving. En nee, ook niet op grond van significante milieuverontreiniging. Want ook met de omgevingsvergunning mba moet het bedrijf gewoon voldoen aan de regels in het omgevingsplan
4. Minder geluid
Het komt natuurlijk ook voor dat een bedrijf met zijn vergunde activiteiten minder geluid maakt dat wat in het omgevingsplan als aanvaardbaar is geacht. Dan lijkt het voor de hand te liggen om dat vast te leggen, zodat het bedrijf niet meer geluid kan maken dan noodzakelijk. Maar ook dan is de omgevingsvergunning mba niet het instrument om dit te doen. Allereerst worden via de omgevingsvergunning mba activiteiten vergund. Dit onder de voorwaarden dat er geen sprake is van significante milieuverontreiniging. Daarvan is geen sprake als er wordt voldaan aan de regels voor geluid in het omgevingsplan.
Verder is dit vooral een keuze van de gemeente. Zo kan de gemeente voor een gemengd gebied kiezen om een binnenplanse vergunningplicht op te nemen om te kunnen sturen op de feitelijke hoeveelheid geluid. Maar dat wordt snel ingewikkeld en levert ook allerlei uitvoeringslasten op. Op grond van de ervaringen van het vroegere Activiteitenbesluit werken algemene regels Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) best goed. Dat kan alleen maar beter worden nu de algemene regels in het omgevingsplan gebiedsgericht of per locatie zijn vastgelegd.
En in de tussentijd?
In het omgevingsplan van veel gemeenten staan de regels van geluid nog in het tijdelijk deel omgevingsplan. In sommige gevallen voorkomen deze regels niet dat er significante milieuverontreiniging kan ontstaan. Dat komt omdat voor die waarden geen afweging heeft plaatsgevonden voor een locatie. Maar ook dan regelt u geluid niet in de omgevingsvergunning mba, maar via een BOPA of via een maatwerkvoorschrift. Niet alleen omdat dit de bedoeling is onder de Omgevingswet, maar ook omdat dit moet in het nieuw deel omgevingsplan.
Dus om toch terug te komen op de veelgestelde vraag, kunnen we het volgende antwoorden: het is niet verboden. Maar het heeft in de meeste gevallen geen werking, het kan dingen nodeloos ingewikkeld maken en het is een sta-in-de-weg voor de transitie naar het nieuw deel omgevingsplan.
Meer informatie
Meer informatie is te vinden op de pagina Geluid en de beoordeling omgevingsvergunning mba: veelgestelde vragen.
Landbouw
Eisen luchtwassers veehouderijen aangescherpt
Zowel de systeembeschrijvingen van de chemische als de biologische luchtwassers zijn per 1 juli 2026 gewijzigd.
Hoe luchtwassers werken
Luchtwassers worden bij veehouderijen gebruikt om de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof te beperken. In een chemische luchtwasser wordt ammoniak en in mindere mate geur verwijderd door de uitgaande stallucht door een filterpakket te voeren dat met zuur waswater wordt besproeid. In een biologische luchtwasser worden ammoniak en geur door micro-organismen (bacteriën) omgezet. Met het waswater wordt ook fijnstof verwijderd. De waarde van de zuurgraad (pH) is belangrijk voor een goede werking van zowel chemische als biologische luchtwassers. Bij een hoge zuurgraad is de pH van het waswater laag en bij een lage zuurgraad is de pH van het waswater hoog. De pH moet binnen een bepaalde bandbreedte blijven.
Een kort overzicht wat er is gewijzigd:
Chemische luchtwassers
- In alle chemische luchtwassers mag nu salpeterzuur als wasvloeistof worden gebruikt.
Biologische luchtwassers
- De spuiregeling bij biologische luchtwassers is veranderd. Er moet nu ook gespuid worden bij een te hoge pH. Deze maatregel zorgt ervoor dat de luchtwasser geen lachgas produceert. Lachgas (N2O) is een zeer sterk broeikasgas.
- De bovengrens van de bandbreedte waarbinnen de pH van het waswater moet blijven, is verlaagd van pH = 7,5 naar pH = 7,3. Bij een pH hoger dan 7,3 daalt het rendement van de luchtwasser fors.
Deze wijzigingen treden per 1 oktober 2026 in werking. Zie het nieuwsbericht Wijziging bijlage II, V en VI Omgevingsregeling.
Meer informatie
Lucht (industriële emissies)
Bijdrage bevoegd gezag aan BBT-conclusies
Bij vergunningverlening moet het bevoegd gezag emissiegrenswaarden voorschrijven volgens de beste beschikbare technieken (BBT) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) in BBT-conclusies Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper). Op welke manier en op welke momenten heeft het bevoegd gezag invloed op die BBT-conclusies? En de bijbehorende BREF-documenten (BREF's) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper)?
De beste beschikbare technieken (BBT) zijn, de naam zegt het al, steeds in ontwikkeling. De Europese Commissie (EU-BRITE) herziet de BREF-documenten regelmatig en moet ze maximaal 8 jaar na de publicatie van de vorige versie hebben bijgewerkt. Deze verplichting volgt uit de Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper). Bij de herzieningen worden nieuwe technieken zoveel mogelijk meegenomen om bijvoorbeeld luchtemissies te verminderen.
Bij de start van een herziening van een BREF kunnen vergunningverleners hun wensen via het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) indienen. Zij worden ook betrokken bij het indienen van referentie-installaties in Nederland. Hoe dat proces in z'n werk gaat, vindt u op de pagina Tot stand komen BREF's en BBT-conclusies. De tabel met BREF-herzieningen op deze pagina is in augustus weer geactualiseerd. De gegevens van deze referentie-installaties vormen de basis voor de nieuwe BBT-conclusies.
Verder kan het bevoegd gezag commentaar indienen op BREF-ontwerpen. Bijvoorbeeld op punten die in de praktijk mogelijk tot problemen leiden bij het verlenen van vergunningen.
Voorbeeld
Stel dat de emissiegrenswaarde voor een bepaalde stof in de praktijk eenvoudig gehaald wordt door de meeste Europese installaties. Dan kan aanscherping zorgen voor een emissiegrenswaarde die beter aansluit bij de praktijk. Ook kan het zijn dat voor een stof nog geen BBT-conclusie is opgenomen. Zijn er genoeg meetgegevens beschikbaar? Dan kan er ook voor die stof een BBT-conclusie worden vastgesteld.
Systematiek milieubelastende activiteiten
Nieuwe pagina over autowrakken in opslag
Bedrijven zoals garages mogen maar een beperkt aantal autowrakken opslaan. Andere, zoals autodemontagebedrijven, hebben meer mogelijkheden maar mogen dit alleen met een vergunning. Hoe zit het nu precies? En uit welk artikel in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) volgt dat? Dat zijn belangrijke kwesties voor zowel bevoegde gezagen als bedrijven. Op de nieuwe pagina Autowrakken in opslag: toegestane aantallen en vergunningplichten geven we een overzicht per soort bedrijf of instantie. Goed om te weten: volgens het Bal wordt een bedrijf dat té lang autowrakken opslaat, beschouwd als een stortplaats.
Systematiek Omgevingswet en Ruimte
Wijziging project met drempelwaarde: mer-plicht of mer-beoordelingsplicht?
Bij projecten in bijlage V van het Omgevingsbesluit kan de formulering 'oprichting, wijziging of uitbreiding' de indruk wekken dat elke wijziging automatisch mer-plichtig is voor een activiteit boven een bepaalde drempel. Maar uit de Nota van Toelichting volgt dat de genoemde drempelwaarde niet alleen geldt voor de oprichting van een project, maar ook voor een wijziging of uitbreiding daarvan.
Voorbeeld: categorie L2
Een voorbeeld is categorie L2 (installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen). Voor deze categorie geldt een mer-plicht bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding of chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 100 ton per dag of meer. De drempelwaarde is hier dan een capaciteit van 100 ton of meer. Een wijziging of uitbreiding van de capaciteit van 100 ton of meer is dus mer-plichtig. Bijvoorbeeld bij een toename van de capaciteit van 110 naar 220 ton (wijziging/uitbreiding van 110 ton, dus boven de drempelwaarde). Blijft de wijziging of uitbreiding onder de drempelwaarde, bijvoorbeeld een toename van 100 naar 140 ton (wijziging/uitbreiding van 40 ton, dus onder de drempelwaarde), dan geldt in beginsel een mer-beoordelingsplicht.
Niet iedere kleine wijziging van een bestaand project leidt dus automatisch tot een mer-plicht. Wel blijft het aan het bevoegd gezag om te beoordelen of een concrete activiteit valt onder een project in bijlage V en hoe de wijziging moet worden gekwalificeerd. In sommige gevallen kan een ingrijpende wijziging naar aard en omvang worden aangemerkt als de oprichting van een nieuwe installatie.
Meer informatie
Water
Schutten bij lage waterstanden
Vanwege de droogte en lage waterstanden kregen we in augustus vragen en suggesties van burgers over waterbesparing bij schutsluizen. Rechtstreeks, maar ook via de telefoonlijn 0800-8002. We beoordelen elk telefoontje of mail en waar nodig geven we zaken door aan beheerders van schutsluizen. Rijkswaterstaat beheert de schutsluizen in het hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem, bijvoorbeeld de Volkeraksluizen. Maar ook waterschappen, provincies, gemeenten en havenbedrijven beheren schutsluizen.
Goed om te weten is dat deze beheerders al veel kennis hebben om het waterverlies bij het schutten van schepen te beperken om de kanalen en gestuwde rivieren op peil te houden. Dat doen ze op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door alleen te schutten met volle kolken. Bij enkele sluizen zijn maatregelen getroffen om hevelend te kunnen schutten, door water tussen de schutkolken uit te wisselen. Op veel meer schutsluizen vindt terugpompen van water plaats, en dan met name op plekke waar het waterverlies groot is door het grote verval, en het wateraanbod klein. In getijgebieden kunnen ze schutbeperkingen instellen om de zoutindringing tegen te gaan.
Meer informatie
Feiten en cijfers
Website en helpdesk
- De IPLO-website had in augustus 391.212 paginaweergaven en 148.254 sessies.
- Aan de helpdesk zijn 1.715 vragen gesteld.
Verdeling vragen per onderwerp
De vragen gingen over de volgende onderwerpen:
- Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) 38%
- Bodem 9%
- Systematiek Omgevingswet en Ruimte 8%
- LAVS 7%
- Bouw 6%
- Water 6%
- Veiligheid 4%
- Geluid 4%
- Systematiek milieubelastende activiteiten 3%
- Andere milieuthema's* 8%
- Overig** 7%
Taartdiagram van verdeling vragen aan IPLO in augustus 2026

* Andere milieuthema's: Veehouderij, Lucht en geur, Energiebesparing, Natuur, Asbest, Luchtkwaliteit, Trillingen, Gezondheid
**Overig: ruimtelijkeplannen.nl, invoeringsondersteuning, algemeen, overig, onbekend
Stel uw vraag aan een expert van IPLO
Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid dat uitleg geeft over de Omgevingswet, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de regelgeving voor de leefomgeving. Op de website geven onze experts informatie over deze onderwerpen. En via de helpdesk beantwoorden we vragen van gemeenten, provincies, waterschappen en brancheorganisaties. Onze helpdesk is bij voorkeur bereikbaar via het vragenformulier.
Ondernemers en inwoners met vragen over de Omgevingswet, het Omgevingsloket en de leefomgeving kunnen terecht bij hun gemeente.
Algemene regels
Algemene regels zijn regels die voor iedereen gelden. Met 'iedereen' bedoelen we iedereen die iets doet of wil doen waarop de regels van toepassing zijn. Alle overheden kunnen algemene regels vaststellen.
Meer informatie op de pagina Algemene regels.
Beste beschikbare technieken (BBT)
Het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningvoorwaarden te vormen is aangetoond, met als doel emissies en gevolgen voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dit niet mogelijk is, te beperken, waarbij wordt verstaan onder:
- technieken: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld
- beschikbare: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken wel of niet binnen Nederland worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn,
- beste: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel
Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
BBT-conclusies
Een document dat bestaat uit die delen van een BREF (BBT-referentiedocument) met de conclusies over beste beschikbare technieken (BBT), de met die technieken geassocieerde emissieniveaus en milieuprestatieniveaus. Het document moet gebruikt worden bij het opstellen van omgevingsvergunningen voor IPPC-installaties. De BBT-conclusies zijn beschikbaar via de website van EU-BRITE.
BREF-document
BREF-documenten (afgekort BREF's) zijn documenten voor een of meer specifieke branche(s) met een beschrijving van:
- toegepaste technieken
- huidige emissies en consumptieniveaus
- technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van beste beschikbare technieken (BBT)
- BBT-conclusies
- eventuele technieken in opkomst
De branches zijn gebaseerd op de IPPC-installaties die benoemd zijn in de Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie). De BREF's zijn beschikbaar via de website van EU-BRITE.
Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie)
Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 over industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334). Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
De Richtlijn industriële emissies is op 15 juli 2024 inhoudelijk gewijzigd door richtlijn 2024/1745. Hierbij wordt ook de naam van de richtlijn aangepast tot Richtlijn industriële emissies en veehouderijen.
Ga naar de geconsolideerde tekst van de Richtlijn industriële emissies.
Meer informatie staat op Richtlijn industriële emissies en veehouderijen (Rie).