Functies van dit type stimuleren de emissiesterkte als een normaal verdeelde variatie rond een gemiddeld emissieniveau.
Fluctuerende emissies, dus emissies die variëren binnen een uur, kunnen in het Nieuw Nationaal Model (NNM) niet worden gemodelleerd.
Een oppervlaktebron veronderstelt een constante emissie over het gehele oppervlak. Als de emissie niet constant is over het oppervlak, kan men de ...
Deze optie is in de eerste plaats bestemd voor een situatie waarin een emissie twee niveaus kent. En wanneer ook iets bekend is over de periode waarin elk ...
Biedt de applicatie onvoldoende mogelijkheden om een situatie realistisch te modelleren? Dan kan een gebruikersbestand voor de emissie worden aangemaakt.
De pluimstijging wordt vooral beïnvloed door het verschil in temperatuur van de pluim en de omgevingslucht. Doordat de dichtheid van een warme pluim lager ...
Een gebouw zal het pluimgedrag op twee manieren beïnvloeden: door het gebouweffect en door extra dispersie door extra turbulentie rond het gebouw.
In principe kan het model niet rekenen met oppervlaktebronnen met pluimstijging. Men kan in enkele gevallen een benadering toepassen.
De onderwerpen zijn steeds volgens hetzelfde patroon uitgewerkt. De uitwerking gaat geleidelijk dieper op het onderwerp in.
Het Nieuw Nationaal Model voorziet niet in oppervlaktebronnen, anders dan op grondniveau. Sommige implementaties geven toch de mogelijkheid om een ...
Het Nieuw Nationaal Model heeft de mogelijkheid om rechthoekige oppervlaktebronnen door te rekenen. Wel moet steeds worden voldaan aan de omschrijving.
Met een snuffelploegmeting wordt op basis van immissiewaarnemingen de emissie van een bron bepaald. Voor de omrekening van een immissie naar een emissie is ...
De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is van grote invloed op de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Als maat voor de ...
De jaargemiddelde immissie rond de bron zal gelijk blijven, als de variaties volstrekt willekeurig verdeeld zijn over de tijd.
Als het de doelstelling is om de emissiesterkte te bepalen, moet van de emissieparameters bekend zijn hoeveel deze tijdens de meting waren.
Voor iedere verspreidingsberekening moet 1 ruwheidslengte worden ingevoerd. De implementaties van het Nieuw Nationaal Model (NNM) gebruiken de automatische ...
De belangrijkste onzekerheidsfactor bij het berekenen van de verspreiding van opwaaiend stof van een oppervlaktebron is het bepalen van de emissiesterkte. ...
Een gebouw heeft alleen invloed op de verspreiding van een pluim wanneer het gebouw niet te ver weg staat van de bron en wanneer het gebouw hoog genoeg is ...
Als emissietemperatuur wordt de temperatuur van de afgassen bij de uitstroomopening (schoorsteenmond) opgegeven (in K).
Onder goed gecontroleerde omstandigheden zoals tijdens validatiemetingen bij een geschikte bron kan het NNM een onzekerheid (uitgedrukt als ...
In deel 2 van de handreiking staat het praktische gebruik van het Nieuw Nationaal Model (NNM) centraal. Het gaat daarbij om de vertaling van werkelijke ...
In de toekomst kunnen we de onderwerpen uitbreiden of aanscherpen in een nieuwe versie van de Handreiking. Bijvoorbeeld bij de toepassing van de ...
Verschillen in de uitstoot kunnen leiden tot grote verschillen in de concentratie rond een bron vergeleken met een situatie met constante emissie.
Als men met bronnen te maken heeft die een zeer beperkt percentage van de tijd emitteren (bijvoorbeeld 50 uur per jaar), worden de uitkomsten van de ...
De schoorsteenhoogte wordt altijd ten opzichte van het direct omringende maaiveld bepaald. Ook als de schoorsteen op een dak staat.