IPLO Uitgelicht september 2026
Onze helpdesk behandelde deze maand weer zeer diverse onderwerpen: van graven door een leeflaag tot AI inzetten om toepasbare regels te verbeteren. En de voor velen herkenbare vraag: gaan we het omgevingsplan wijzigen of regelen we het via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)?
In IPLO Uitgelicht gaan we maandelijks in op wat ons opvalt aan de vragen die we krijgen. Daarnaast bieden we inzicht in feiten en cijfers, zoals de vraagaantallen, de verdeling over de verschillende onderwerpen en het bezoek aan iplo.nl.
Vraag van de maand
Een initiatiefnemer vraagt een omgevingsvergunning aan voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het gaat om een aanvraag voor een nieuwe woning langs een weg zónder een geluidaandachtsgebied. Mag ik als gemeente om een onderzoek naar geluid vragen?
Dat mag uitsluitend als dat nodig is voor de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper). Dit is geregeld in artikel 7.207b lid 2 onder a, Omgevingsregeling.
Artikel 7.207b lid 2 onder a Omgevingsregeling regelt dat de initiatiefnemer bij de aanvraag voor een BOPA in ieder geval de gegevens en bescheiden moet verstrekken om te kunnen beoordelen of de vergunning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden verleend. In het artikel worden overigens geen specifieke gegevens en bescheiden aangemerkt (bijvoorbeeld een akoestisch onderzoek). Dat geeft per situatie de ruimte om te bepalen wat nodig is voor de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het verlenen van de BOPA.
Overigens, als de woning binnen een geluidaandachtsgebied Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper) ligt, zijn de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2a.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing. Dan moet de gemeente dit verzoek doen op grond van artikel 7.207b lid 2 onder b, Omgevingsregeling.
Meer informatie vindt u op de pagina Opvragen informatie beoordelen BOPA.
Wat opviel in september
Asbest/Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS)
Meldsystematiek asbestverwijdering gaat veranderen
De Eerste Kamer heeft op 22 september 2026 ingestemd met de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet. Door deze wijziging is naar verwachting vanaf maart 2027 voor asbestwerkzaamheden een vergunning nodig. Aanleiding voor de wijziging is de nieuwe Europese Asbestrichtlijn. De regels worden verder uitgewerkt in het Arbobesluit, dat op dit moment voor advies bij de Raad van State ligt.
LAVS blijft voorlopig operationeel
Met de aanstaande wetswijziging verandert ook de meldsystematiek voor bedrijven die asbest verwijderen. De wettelijke meld- en informatieplichten voor asbest worden ondergebracht in het Omgevingsloket, dat onderdeel is van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hiermee wordt ook het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) uitgefaseerd. Meer informatie hierover vindt u op de pagina Toekomst LAVS. Goed om te weten is dat het LAVS voorlopig operationeel blijft en stap voor stap zal worden uitgefaseerd. Wilt u op de hoogte blijven? Abonneer u op IPLO Update Asbest en LAVS.
Bodem
Nieuwe regels voor graven in bodem
Op 1 oktober 2026 is het Verzamelbesluit Omgevingswet IenW bodem en water 2026 volledig in werking getreden. Het Verzamelbesluit bevat wijzigingen voor bodem en water in onder andere het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een belangrijke wijziging in het Bal voor de bodemregels is het samenvoegen van 2 milieubelastende activiteiten tot 1 milieubelastende activiteit graven in bodem. De formulieren voor de meld- en informatieplicht in het Omgevingsloket zijn hierop aangepast. Om deze wijziging toe te lichten, hebben we een overzicht geplaatst van de wijzigingen regels voor graven in bodem per 1 oktober 2026.
Uit de vragen die we hierover krijgen, maken we op dat sommige organisaties nog wat moeten wennen aan de wijzigingen. Zo merken sommige omgevingsdiensten dat de wijze waarop meldingen en informatieplichten in hun zaaksysteem binnenkomen, anders is. Dit betekent iets voor hun interne werkprocessen. Eerder berichtten we al over de verandering voor indieningsformulieren graven in de bodem in Omgevingsloket, zodat organisaties hun werkprocessen daarop konden aanpassen.
Graven door een leeflaag
Een leeflaag is een laag schone grond die bij een bodemsanering is aangebracht op verontreinigde bodem. Deze voorkomt dat er in het dagelijkse gebruik contactmogelijkheden zijn met de verontreinigde bodem. Een leeflaag heeft meestal een dikte van 1 meter. De eigenaar, erfpachter of gebruiker van de locatie moet de leeflaag in stand houden.
Soms moet een aannemer in die leeflaag en de daaronder gelegen verontreinigde bodem graven. Bijvoorbeeld voor de aanleg of het onderhoud van ondergrondse infrastructuur, zoals kabels en leidingen. Regelmatig krijgen we vragen of de aannemer erkend moet zijn voor BRL SIKB 7000. En of milieukundige begeleiding volgens BRL SIKB 6000 nodig is bij het graven. Op de nieuwe webpagina Graven of doorgraven van een bij eerdere sanering aangebrachte leeflaag leggen we uit hoe het zit.
Weilanddepot of doorgangsdepot?
Overheden en bedrijven bevragen ons over baggerdepots. Daarbij constateren we dat het onderscheid tussen een weilanddepot en een doorgangsdepot niet altijd duidelijk is. We leggen dit onderscheid graag uit, plus de regelgeving die daarbij hoort.
Weilanddepot voor lokale verspreiding
Op de pagina 'Kwaliteitseisen verspreiden baggerspecie' leggen we onder het tussenkopje Weilanddepot uit wat dat is: een tijdelijke voorziening die voorkomt dat opgebrachte baggerspecie wegvloeit van het perceel. De baggerspecie is opgebracht in een depot met als doel om deze op hetzelfde perceel te verspreiden. Verspreiden is toegestaan als de baggerspecie op het aangrenzende perceel komt. Of op landbouwpercelen binnen 10 km afstand van het oppervlaktewater waar de baggerspecie vandaan komt. Het weilanddepot wordt dan gezien als onderdeel van het verspreiden van baggerspecie.
Het verspreiden van dergelijke baggerspecie valt juridisch onder de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 3.2.26 Bal). Om die reden mag baggerspecie in het depot worden geplaatst dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor verspreidbare baggerspecie. Een keuring van het ingedroogde depot is niet nodig voorafgaand aan de verspreiding op hetzelfde perceel, omdat de kwaliteit al bepaald is in eerder waterbodemonderzoek volgens NEN 5717 en/of NEN 5720.
Doorgangsdepot voor toepassing elders
Waterschappen en gemeenten kunnen ervoor kiezen om bagger tijdelijk op te slaan in een doorgangsdepot. Zo kunnen ze de bagger ontwateren en eventueel behandelen (bijvoorbeeld reinigen), om die vervolgens elders toe te passen. Anders gezegd: de baggerspecie is in depot gebracht met als doel om de baggerspecie uiteindelijk elders toe te passen op de landbodem of in oppervlaktewater. In dit geval gelden voor de opslag de regels van de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie (paragraaf 3.2.24 Bal). Op grond daarvan mogen partijen alleen worden samengevoegd als ze dezelfde kwaliteitsklasse hebben. Daarnaast mag het samenvoegen van partijen baggerspecie alleen gebeuren door een BRL 9335-erkende organisatie.
Bouw
Actuele informatie rond schorsingen kwaliteitsborgers
De schorsing van enkele kwaliteitsborgers heeft gevolgen voor bouwprojecten die onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vallen. Dit roept vragen op over de gevolgen voor bouwprojecten, de rol van gemeenten en het handelingsperspectief voor opdrachtgevers en aannemers. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft tijdens een netwerksessie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) toegelicht dat bij de geschorste kwaliteitsborgers de vereiste kwaliteitsborging ontbreekt. Hierdoor kan niet zonder meer worden doorgebouwd. Gebeurt dat toch, dan kan het bevoegd gezag handhavend optreden.
Inmiddels heeft de voorzieningenrechter een van de schorsingen teruggedraaid. De verdere juridische procedure loopt nog. Voor gemeenten, omgevingsdiensten en andere betrokkenen houden we de pagina Schorsingen kwaliteitsborgers actueel. U vindt daar ondersteunende documenten, waaronder veelgestelde vragen, voorbeeldteksten voor publieksvoorlichting, een presentatie van het ministerie van BZK en een voorbeeld-handelingskader van omgevingsdienst De Vallei.
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)
Tweede deel vodcast AI en Vergunningcheck gepubliceerd
Veel bevoegde gezagen zijn bezig toepasbare regels op te stellen en hebben daar ook vragen over. Daarom publiceren we met enige regelmaat een vodcast over dit onderwerp. Eind september verscheen de 5e aflevering van deze serie: Met AI toepasbare regels verbeteren voor de Vergunningcheck (deel 2). Daarin is te zien hoe Copilot, een AI-tool van Microsoft, u kan helpen bij het verbeteren van de begrijpelijkheid van vragen, antwoordopties en toelichtingen in de Vergunningcheck.
Dit tweede deel gaat over de inhoud van de vragen in de vragenboom. AI helpt daarbij knelpunten zichtbaar te maken, zoals onduidelijke formuleringen, vaktermen en antwoordopties die voor gebruikers verwarrend kunnen zijn. Ook ontdekt u welke prompts u kunt gebruiken om vragen en toelichtingen duidelijker, consistenter en beter digitaal toepasbaar te maken.
Kijk voor meer afleveringen op de overzichtspagina Vodcast toepasbare regels: 'Slim uitvragen, betere check'.
Externe veiligheid
Welke maatregelen voor lithiumhoudend energieopslagsysteem?
We maken in Nederland steeds vaker gebruik van Energie Opslag Systemen (EOS) met lithiumbatterijen. Om dit verantwoord te doen, is in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen richtlijn PGS 37-1 ontwikkeld door een team van experts.
In de PGS 37-1-richtlijn zijn 6 typicals omschreven. Typicals zijn vereenvoudigde weergaven ofwel standaard voorbeeldsituaties:
- typical 1 – Zelfstandig EOS in aangepaste container (basistypical)
- typical 2 – Energieopslagpark
- typical 3 – EOS-park met niet-betreedbare behuizingen in de openlucht
- typical 4 – Mobiel EOS
- typical 5 – Inpandig EOS met eigen ruimte
- typical 6 – Inpandig EOS in een open ruimte
De typicals in de PGS 37-1 richtlijn zijn bedoeld als hulpmiddel om de selectie van maatregelen te vereenvoudigen. In de praktijk sluiten deze typicals niet altijd een-op-een aan op alle bestaande EOS-configuraties. Dat merken we aan vragen en opmerkingen die we hierover krijgen bij de helpdesk.
Typical 1 en typical 3 kennen een vergelijkbare risicobenadering en een groot deel van de maatregelen is voor beide typicals gelijk. Het belangrijkste onderscheid is dat typical 1 de basistypical is voor een zelfstandig EOS, terwijl typical 3 expliciet is omschreven als een EOS-park. Zo'n park bestaat uit meerdere gekoppelde EOS'en in niet-betreedbare behuizingen.
De beste werkwijze? Neem als uitgangspunt voor het bepalen van de relevante maatregelen de typical die het beste aansluit bij de feitelijke configuratie van het systeem. Vervolgens kunt u beoordelen welke maatregelen inhoudelijk relevant zijn.
Meer informatie
Lucht (industriële emissies)
SO2-meting nodig bij biovergister met WKK's die gas levert?
Regelmatig worden we bevraagd over emissiemetingen. Bijvoorbeeld in het geval van een biovergister waarbij enkele warmte-krachtkoppelingsinstallaties (WKK's) staan. Bij het proces kan zwaveldioxide (SO2) ontstaan. Volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moeten dan SO2-metingen worden uitgevoerd. Maar omdat de ondernemer het gas aan het gasnetwerk levert, moet het gas sowieso ontzwaveld worden. In dat geval is het niet nodig om SO2-metingen uit te voeren.
Artikel 4.1311 Bal beschrijft de meetplicht en uitzonderingen op die meetplicht. Daarin staat bij lid 4 onder d dat het artikel niet van toepassing is 'op het meten van zwaveldioxide als aan de betreffende emissiegrenswaarde wordt voldaan door brandstof te stoken met een bekend zwavelgehalte bij een stookinstallatie die niet is uitgerust met apparatuur voor het verminderen van de emissie van zwaveldioxide.'
De meetverplichting voor SO2 geldt ook niet voor vergistingsgas dat aan de emissiegrenswaarde voldoet doordat het weinig tot geen zwavel bevat.
Meer informatie
Terugwinnen, doorverkoop en inkoop F-gassen uit autoairco's
Gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen) zijn synthetische koudemiddelen met een hoog klimaatopwarmend effect. Met nieuwe regels willen overheden in Europa het gebruik ervan sterk verminderen en de transitie bevorderen naar natuurlijke koudemiddelen. Zo veranderen de regels voor personen en bedrijven die werken aan mobiele airconditioningsystemen voor personenkoeling, zoals voertuigairco's.
Stel, een bedrijf wint F-gassen terug uit autoairco's en verkoopt deze F-gassen weer door aan een ander garagebedrijf. Het terugwinnen mag alleen maar gedaan worden door een persoon met:
- een trainingsattest volgens Verordening EU 2025/1893, of
- een F-gassencertificaat Terugwinnen Mobiele Airco's (geldig tot 12 maart 2029)
Die F-gassen mogen alleen worden verkocht aan een onderneming. Met andere woorden, de inkoper moet wel werkzaam zijn bij (in dit geval) een garagebedrijf. Bovendien moeten inkopers beschikken over:
- een trainingsattest volgens Verordening EU 2025/1893, of
- een F-gassencertificaat (geldig tot 12 maart 2029) of een hercertificeringscertificaat conform EU/2024/2215
Teruggewonnen F-gassen, zoals vermeld in bijlage I (R134a) en deel 1 van bijlage II van de F-gassenverordening (EU/2024/573), mogen niet worden gebruikt voor het vullen of navullen van apparatuur, tenzij het gas is gerecycled of geregenereerd. De verkopende partij of de kopende partij moeten dat regelen voordat de F-gassen weer gebruikt worden.
Meer informatie
- Nieuwe F gassenregels: overgang van certificaten naar opleidingsattesten voor voertuig airco's (nieuwsbericht met verschillende voorbeeldscenario's)
- F-gassen en alternatieven (overzichtspagina)
- Certificaten voor werken met F-gassen en ozonlaagafbrekende stoffen (pagina van de Inspectie Leefomgeving en Transport)
Systematiek Omgevingswet en Ruimte
Wijziging veehouderij ook zonder extra dieren mogelijk mer-beoordelingsplichtig
De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5183) verduidelijkt dat ook een wijziging van een veehouderij waarbij het totale aantal dieren niet toeneemt, kan kwalificeren als een wijziging in de zin van de mer-regelgeving.
In deze zaak uit 2022 ging het om het verplaatsen van 15 stuks jongvee binnen een bestaande inrichting onder de Wabo, het verplaatsen van de dieseltank, de vaste mestopslag en de kunstmestsilo. De Raad van State oordeelt dat sprake is van een 'verandering anderszins' van een bestaande inrichting, zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Dat het aantal dieren binnen de inrichting gelijk blijft, maakt daarbij niet uit. Voor dergelijke wijzigingen kan dus een mer-beoordelingsplicht gelden.
Let op: het blijft aan het bevoegd gezag om te beoordelen of een activiteit valt onder een projectcategorie in bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
Wilt u weten wanneer u een project-mer-beoordeling moet doen? En hoe u daarbij te werk gaat? Kijk dan op de pagina Project-mer-beoordeling.
Wijziging omgevingsplan of BOPA?
Veel recente helpdeskvragen gaan over de raakvlakken tussen verschillende instrumenten van de Omgevingswet. Bijvoorbeeld het toelaten van een activiteit in strijd met het omgevingsplan. Dat kan via een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Maar wanneer kies je voor welk instrument?
Wijzigen omgevingsplan biedt flexibiliteit
Met een wijziging van het omgevingsplan kan het bevoegd gezag activiteiten toelaten, kaders stellen en tegelijkertijd ruimte bieden voor flexibiliteit. Een greep uit de mogelijkheden:
- regels stellen op hoofdlijnen
- opnemen van beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning
- opnemen van beleidsregels
- wijziging van het omgevingsplan op onderdelen delegeren naar het college van burgemeester en wethouders
BOPA is gericht op concreet project
Een wijziging van het omgevingsplan biedt dus meer mogelijkheden voor een flexibele regeling waarbinnen meerdere uitwerkingen van de (bouw)plannen en activiteiten mogelijk zijn. Daarentegen is de omgevingsvergunning voor een BOPA gebaseerd op de aanvraag voor een concreet project. Deze geeft toestemming om af te wijken van regels in het omgevingsplan.
De BOPA-vergunning leidt niet tot wijziging van de regels in het omgevingsplan. Dit betekent dat de gemeente met een omgevingsvergunning voor een BOPA de op de locatie van het initiatief toegelaten functies of gebruiksmogelijkheden niet kan schrappen. Daarnaast moet de gemeente in een later stadium de BOPA nog verwerken in het omgevingsplan.
Het afwijken van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor een BOPA is niet altijd mogelijk. Het kan bijvoorbeeld niet als een wijziging van regels buiten de locatie nodig is, of als het nodig is om regels uit het omgevingsplan te schrappen.
Meer informatie
- Op de pagina Keuze omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of wijziging omgevingsplan vindt u meer voorwaarden voor de BOPA en aandachtspunten bij de afweging welke procedure voor welke situatie het beste past.
- Op de overzichtspagina Buitenplanse omgevingsplanactiviteit vindt u links naar diverse aspecten van de BOPA, zoals Procedure BOPA, Publiceren BOPA, BOPA ook tijdelijk mogelijk en Verwerken BOPA in omgevingsplan.
Water
Oppervlaktewater als transportsysteem voor gietwater tijdens droogte?
Kan tijdens droogte het oppervlaktewatersysteem als transportsysteem voor gietwater worden gebruikt?
Wat gietwater is
Voor het bewateren van gewassen is water nodig. De vraag van de gewassen in de kas naar water loopt niet gelijk met de natuurlijke neerslag. Daardoor is er soms een tekort aan zogeheten natriumarm gietwater. In de omgeving van glastuinbouw is vaak wel grond- of oppervlaktewater of water van het kasdek beschikbaar. Voor direct gebruik is dit water vaak te zout. Daarom wordt het hiervan gezuiverd. Daarbij ontstaat afvalwater dat we brijn noemen.
Achtergrond van deze vraag
Een collectieve zuivering voor gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw wil het behandelde water met omgekeerde osmose verder zuiveren tot gietwater. Voor het transport van het water naar de afnemers wil deze het water in het oppervlaktewatersysteem brengen, zodat afnemers het verderop kunnen onttrekken. Daartoe wordt een boekhouding bijgehouden en worden de ingebrachte en onttrokken hoeveelheden gemeten, zodat er niet meer wordt onttrokken dan wordt ingebracht.
Waterschap houdt vast aan onttrekkingsverbod
Het verantwoordelijke waterschap houdt tijdens de droogteperiode echter vast aan het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater. Het kan geen specifieke ontheffing van het onttrekkingsverbod verlenen voor bedrijven die het ingebrachte water willen onttrekken. Het geproduceerde water moet dan met tankwagens worden getransporteerd naar de afnemende bedrijven.
Waterschap kan (nog) geen specifieke ontheffing verlenen
De tuinbouwwaterzuivering ligt in het beheergebied van een waterschap. Volgens artikel 1.10 van de waterschapsverordening van dat waterschap kan het dagelijks bestuur in tijden van (onder andere) grote schaarste van water een verbod instellen om water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. In dit artikel is niet de mogelijkheid geboden voor het dagelijks bestuur om uitzonderingen te maken voor bepaalde categorieën van onttrekkingen. Het klopt dus dat het waterschap zegt dat er geen specifieke ontheffing van het onttrekkingsverbod kan worden verleend.
Het waterschap zou door wijziging van de waterschapsverordening wel uitzonderingen mogelijk kunnen maken. Dan moet in artikel 1.10 van de waterschapsverordening expliciet worden bepaald dat het dagelijks bestuur categorieën van gevallen kan aanwijzen waarvoor het verbod niet geldt. Het waterschap is zelf bevoegd om te bepalen of het wel of niet dergelijke uitzonderingen wil regelen. De Omgevingswet verzet zich daar niet tegen. Zolang de waterschapsverordening echter niet is gewijzigd, is een uitzondering voor de tuinbouwwaterzuivering niet mogelijk.
Meer informatie
Feiten en cijfers
Website en helpdesk
- De IPLO-website had in september 501.919 paginaweergaven en 195.124 sessies.
- Aan de helpdesk zijn 2.047 vragen gesteld.
Verdeling vragen per onderwerp
De vragen gingen over de volgende onderwerpen:
- Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) 39%
- Bodem 11%
- Bouw 8%
- LAVS 7%
- Systematiek Omgevingswet en Ruimte 8%
- Water 4%
- Veiligheid 4%
- Systematiek milieubelastende activiteiten 3%
- Geluid 2%
- Andere milieuthema's* 8%
- Overig** 7%
Taartdiagram van verdeling vragen aan IPLO in september 2026

* Andere milieuthema's: Veehouderij, Lucht en geur, Energiebesparing, Natuur, Asbest, Luchtkwaliteit, Trillingen, Gezondheid
**Overig: ruimtelijkeplannen.nl, invoeringsondersteuning, algemeen, overig, onbekend
Stel uw vraag aan een expert van IPLO
Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid dat uitleg geeft over de Omgevingswet, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de regelgeving voor de leefomgeving. Op de website geven onze experts informatie over deze onderwerpen. En via de helpdesk beantwoorden we vragen van gemeenten, provincies, waterschappen en brancheorganisaties. Onze helpdesk is bij voorkeur bereikbaar via het vragenformulier.
Ondernemers en inwoners met vragen over de Omgevingswet, het Omgevingsloket en de leefomgeving kunnen terecht bij hun gemeente.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
Lees meer over evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidaandachtsgebied
Geluidaandachtsgebied als bedoeld in artikel 3.20, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze begripsbepaling staat in bijlage I, Bkl.
Uitleg
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied gelden de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrenst door een vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling).
Meer informatie is te lezen op de pagina Geluidaandachtsgebied.