IPLO Uitgelicht februari 2026
Deze maand besteden we onder meer aandacht aan uitgesteld bodemonderzoek en aansluiting van het DSO op het Register van Overheidsorganisaties (ROO). Verder gaan we in op mestbewerking in plaats van uitrijden op het land, stortgas versus vergistingsgas en het gebruik van klepelmaaiers.
In IPLO Uitgelicht gaan we maandelijks in op wat ons opvalt aan de vragen die we krijgen. Daarnaast bieden we inzicht in feiten en cijfers, zoals de vraagaantallen, de verdeling over de verschillende onderwerpen en het bezoek aan iplo.nl.
Vraag van de maand
Gelden de eisen voor het (brand)veilig gebruik van vluchtroutes uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) specifiek voor woongebouwen?
Ja, de artikelen 6.15a en 6.23a van het Bbl, die eisen stellen aan het (brand)veilig gebruik van vluchtroutes en die gaan over voorwerpen in vluchtwegen, gelden specifiek voor woongebouwen. Denk aan deurmatten, vazen, planten, fotolijsten of schilderijen. Het Bbl bevat op dit punt geen regels voor bijvoorbeeld schoolgebouwen. Wel bevat het besluit een artikel over de specifieke zorgplicht (artikel 6.4 Bbl). Volgens dit artikel kan het noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om geen gevaarlijke situaties te laten ontstaan of voortduren. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag (de gemeente) om te bepalen of de eigenaar of schooldirectie aan de regels voldoet. Zie voor meer informatie Objecten op vluchtroutes.
Wat opviel in februari
Asbest
Asbesthoudend speelzand
Er was in februari veel aandacht in de media voor speelzand dat mogelijk asbest bevat. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is een onderzoek gestart in samenwerking met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Daarnaast voert de NVWA in samenwerking met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een gezondheidskundige risicobeoordeling uit. Er is met verschillende partijen (ILT/SZW/NVWA/RIVM) afgestemd hoe te handelen. Ook heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een brief aan de Tweede Kamer verstuurd.
Uit het onderzoek van de NVWA is inmiddels gebleken dat het merendeel van het speelzand voldoet aan de norm. De NVWA en het RIVM onderzoeken of spelen met zand dat asbest bevat een risico voor de gezondheid oplevert. Zelfs als het om een kleine hoeveelheid gaat, die onder de wettelijke limiet ligt.
Daarom adviseert de NVWA om kinderen voorlopig niet meer met het zand te laten spelen. Verder geldt het advies om het speelzand niet met een stofzuiger op te zuigen. Wie het speelzand wil verwijderen, kan dit het beste nat maken of opvegen met een vochtig doekje, en vervolgens in dubbel plastic verpakken. Het mag niet in de gewone afvalbak, maar moet aangeboden worden op het afvalscheidingsstation of de milieustraat van de gemeente, of bij de afvalinzamelaar.
Meer informatie
- Kamerbrief over stand van zaken asbest in speelzand (Rijksoverheid.nl)
- Asbest in speelzand: de 5 meestgestelde vragen (NVWA)
- Onderzoek NVWA: merendeel speelzand voldoet aan norm (NVWA)
- Asbest in speelzand (GGD Leefomgeving)
Bodem
Bodemonderzoek nu of later?
Is het verplicht om een bodemonderzoek aan te leveren bij de vergunningaanvraag voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) op een bodemgevoelige locatie Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup)? Of kan dat op een later moment, nadat de vergunning al is verleend? Die vraag leeft vooral bij initiatiefnemers, gemeenten en omgevingsdiensten.
Op het moment dat de vergunning wordt aangevraagd, staat er vaak nog een oud pand dat nog niet is gesloopt. Hoewel het soms mogelijk is om door de betonvloer of net naast het oude pand te boren, vinden initiatiefnemers het omslachtig om dan al een bodemonderzoek uit te voeren.
Daarbij komt dat het onder de oude regelgeving wel mogelijk was om het bodemonderzoek later uit te voeren. Onder de Omgevingswet is deze mogelijkheid er niet meer. De instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dwingen af dat het bodemonderzoek onderdeel is van de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning. Er is ook geen eenvoudige manier om de instructieregels op dit punt te wijzigen. Dit signaal is eerder ook al besproken met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Naar aanleiding van verschillende vragen hebben we wel de informatie hierover op de website verder aangescherpt:
- Instructieregels van het Rijk voor bodem in het omgevingsplan
- Instructieregels toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie
Eindonderzoek bodem bij verplaatsen mobiele tank
Bij beëindiging van een milieubelastende activiteit, kan een eindonderzoek bodem nodig zijn. Deze verplichting volgt vaak uit algemene regels in hoofdstuk 3 of 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): aanwijzing van de module eindonderzoek uit paragraaf 5.2.1 van het Bal. In de praktijk is het soms onduidelijk of het verplaatsen van een milieubelastende activiteit ook gezien moet worden als een beëindiging van de activiteit op de oorspronkelijke locatie. Bijvoorbeeld bij het verplaatsen van een mobiele tank.
Op de website hebben we nu verduidelijkt dat het verplaatsen van een milieubelastende activiteit gezien moet worden als een beëindiging van de activiteit op de 'oude' locatie en de start van de activiteit op de 'nieuwe' locatie. Op de 'oude' locatie moet dan een eindonderzoek bodem worden uitgevoerd.
Bij het verplaatsen van een mobiele tank is de verplichting tot eindonderzoek mogelijk een te zware maatregel. Het bevoegd gezag kan met maatwerk afwijken van de verplichting tot eindonderzoek. Zie de uitleg op de pagina Inhoudelijke regels bodem opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks (paragraaf 4.94 Bal).
Bouw
Rookmelders koppelen aan meldkamer of niet?
Moeten rookmelders in een clubhuis van een voetbalvereniging gekoppeld zijn aan een meldkamer van de brandweer? Dit was een van de vragen die onze bouwdeskundigen in februari beantwoordden.
Volgens artikel 3.117 (rookmelders) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een rookmelder verplicht per gebruiksfunctie. In artikel 3.117 staat dat een rookmelder niet verplicht is voor een sportfunctie of een functie voor het aanschouwen van sport. Wel verwijst dat artikel (in lid 5) naar artikel 3.115 van het Bbl (brandmeldinstallaties). Afhankelijk van de gebruiksfunctie moet een brandmeldinstallatie met een zogeheten doormelding aanwezig zijn.
De initiatiefnemer zal zelf moeten bepalen onder welke gebruiksfunctie het gebouw valt. Zie daarvoor de actuele tekst van het Besluit bouwwerken leefomgeving op wetten.overheid.nl. Ook kunt u kijken in de integrale Nota van Toelichting.
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)
Contactgegevens overheden in Vergunningcheck via ROO
Sinds juni 2025 staan in de Vergunningcheck ook contactgegevens van gemeenten en waterschappen. Nadat deze gegevens waren aangeleverd, waren ze lastig aan te passen. Vanuit verschillende gemeenten kregen we verzoeken om wijzigingen in hun contactgegevens door te voeren. Voorbeelden van zulke verzoeken zijn:
- 'Ik ben medewerker van gemeente x en wil weten hoe de tekst voor contact opnemen met mijn gemeente aangepast kan worden.'
- 'Aan het eind van een Vergunningcheck krijgen initiatiefnemers informatie te zien die niet klopt. Ik zou die graag laten aanpassen, maar weet niet bij wie ik moet zijn. Kunt u mij doorverwijzen naar de juiste persoon?'
Sinds 25 februari 2026 sluit het DSO voor deze gegevens aan op het landelijke Register van Overheidsorganisaties (ROO). De gegevens die overheden vorig jaar hebben aangeleverd, zijn overgenomen in het ROO. Hiervoor zijn in het ROO extra contactgegevens opgenomen voor het Omgevingsloket. Naar verwachting kunnen overheden deze gegevens vanaf juni 2026 zelf aanpassen. Tot die tijd kan dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Meer informatie hierover vindt u op de pagina Contactgegevens overheden in Vergunningcheck via centraal register ROO.
Meldingsformulier voor slopen en asbest gewijzigd
IPLO kreeg veel vragen van gebruikers over de activiteit 'Slopen van een bouwwerk of gedeelte daarvan of asbest verwijderen' in het Omgevingsloket. Bijvoorbeeld:
- 'De Vergunningcheck zegt iets anders dan het formulier. Wat moet ik volgen?' (mismatch tussen check en formulier)
- 'Waarom krijg ik vragen die niet op mijn situatie van toepassing zijn?' (gebruikers kregen soms irrelevante of te 'brede' vragen)
Naar aanleiding hiervan is het meldingsformulier verduidelijkt en beter afgestemd op de Vergunningcheck. Initiatiefnemers krijgen gerichtere vragen en het is duidelijker wat zij moeten invullen. Daarnaast kan het bevoegd gezag meldingen beter beoordelen.
Meer informatie
Externe veiligheid
Geen aanvullende bouweisen aan bouwwerk binnen aangewezen voorschriftengebied
Er zijn omgevingsdiensten en gemeenten die in hun omgevingsvisie hebben opgenomen dat brand- en explosiewerende maatregelen verplicht zijn in nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen. Ook als deze gebouwen niet liggen in een aangewezen brand- en explosievoorschriftengebied.
Maar een omgevingsplan kan dat niet voorschrijven. Het is voor de gemeente namelijk niet toegestaan om in het omgevingsplan bouwkundige eisen te stellen aan gebouwen die verder gaan of anders zijn dan de bouwtechnische eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Het Bbl biedt zeer beperkte mogelijkheden om maatwerkregels te stellen in het omgevingsplan. Artikel 4.7 van het Bbl bepaalt dat alleen maatwerkregels mogen worden gesteld over afdeling 4.5 over bruikbaarheid (maar niet de bepalingen over meet- of rekenmethoden in die afdeling). Dit betekent dat maatwerkregels in het omgevingsplan over andere bouwtechnische eisen (bijvoorbeeld brandwerendheid, explosiewerendheid) niet zijn toegestaan.
De bouwkundige voorschriften uit artikel 4.90 t/m 4.96 (brandwerendheid, brandklasse buitenkant, sterkte bij brand, scherfvrij glas) van het Bbl zijn direct gekoppeld aan het voorschriftengebied. Als het bouwwerk buiten een aangewezen voorschriftengebied liggen, kunnen deze voorschriften niet op een andere manier worden afgedwongen.
Meer informatie
Geluid
Beleidsarm naar nieuw deel omgevingsplan?
Houd rekening met de bestaande planologische belangen en de feitelijke bedrijfsvoering van het bedrijf.
Hoewel het in veel gevallen geen probleem zal zijn, moet de gemeente wel opletten. Een gemeente kan namelijk niet zonder meer bestaande planologische belangen van een bedrijf inperken. Ook mogen de regels van het nieuwe deel omgevingsplan de bestaande feitelijke bedrijfsvoering niet inperken, zoals die is vastgelegd in maatwerkvoorschriften op grond van het omgevingsplan en eventuele vergunningvoorschriften bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
Waar moet een gemeente dan vooral aan denken? Hoe zou ze dat moeten of kunnen regelen? Naast de centrale vraag wat je als gemeente ergens wilt bereiken, speelt de oorspronkelijke reden van een voorschrift een belangrijke rol. Maak daarom een analyse of en in welke vorm je deze (maatwerk)voorschriften in het omgevingsplan wilt opnemen. Aan de hand van 3 voorbeelden lichten we toe wat er zoal kan spelen.
Voorbeeld 1: Immissiewaarden uit maatwerkvoorschrift opnemen in regel omgevingsplan
In de buurt van een bedrijfsperceel is in het verleden een woning bestemd. Het bedrijf heeft via een maatwerkvoorschrift hogere immissiewaarde gekregen. Op deze manier werden de planologische belangen van het bedrijfsperceel en de feitelijke bedrijfsvoering beschermd. Wil de gemeente ook nu de bestaande planologische belangen van het perceel beschermen, dan zal dit maatwerkvoorschrift opgenomen moeten worden in de regels van het omgevingsplan. Die waarden gaan gelden voor alle toegelaten activiteiten op het bedrijfsperceel.
Voorbeeld 2: Waarden uit omgevingsvergunning milieu niet zonder meer in regel omgevingsplan
Op een bedrijfsperceel is een categorie 3-bedrijf bestemd. Het bevoegd gezag heeft in het verleden bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening het geluid van 50 dB(A) in de dagperiode aanvaardbaar bevonden. In de omgevingsvergunning milieu is 45 dB(A) vergund volgens aanvraag. Opnemen van deze waarde in het omgevingsplan zou wel de feitelijke bedrijfsvoering van het bestaande bedrijf respecteren, maar niet de planologische belangen van het bedrijfsperceel.
Voorbeeld 3: Maatwerkvoorschrift in stand houden
Gezien de aard van de omgeving en de in het verleden bestemde activiteiten, is 50 dB(A) in de dagperiode een geschikt beschermingsniveau. Op dat perceel zit alleen een bedrijf dat in het verleden een maatwerkvoorschrift heeft gekregen van 55 dB(A) in de dagperiode. Dit maatwerkvoorschrift was verleend vanuit hoofdzakelijk economische motieven. In een dergelijke situatie is het niet vreemd om als gemeente in het omgevingsplan in een algemene regel een waarde van 50 dB(A) in de dagperiode voor de toegelaten activiteiten vast te leggen. En dan voor het bedrijf het maatwerkvoorschrift van 55 dB(A) in stand te houden.
Evenwichtige toedeling locaties
Het nieuwe deel omgevingsplan bevat in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit volgt uit artikel 4.2 van de Omgevingswet. Het nieuwe deel omgevingsplan voorziet in een aanvaardbaar geluid door een op een locatie toegelaten activiteit op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 2, Bkl). Het bevoegd gezag bepaalt wat een aanvaardbaar geluid is.
Landbouw
Toenemend aantal vragen over mestverwerking
Het verwerken en bewerken van mest is een actueel onderwerp, merken we aan de vragen die hierover binnenkomen bij IPLO. Voorheen was sprake van derogatie Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup): een uitzondering op het mestbeleid waarmee agrariërs onder voorwaarden meer stikstof uit dierlijke mest op hun grond mochten brengen dan Europa voorschreef.
Door het vervallen van de derogatie per 1 januari 2026 mag er minder mest worden uitgereden op eigen grond. Daardoor wordt het voor veehouders steeds interessanter om de mest te bewerken, waardoor ze deze beter kunnen inzetten op hun eigen bedrijf. Bewerking of vergisting van mest kan ook de afvoerkosten beperken. Op de pagina Technieken om mest te behandelen staat actuele informatie over dit onderwerp.
Lucht en geur
Vergelijking stortgas en vergistingsgas
Is stortgas van een gesloten stortplaats, als je het verbrandt, vergelijkbaar met vergistingsgas? Deze vraag kregen onze deskundigen van industriële emissies van een toezichthouder milieu van een gemeente.
Voor het juiste begrip is het belangrijk te weten wat we verstaan onder stortgas en vergistingsgas.
Stortgas is het gas dat vrijkomt wanneer afval op een stortplaats langzaam afbreekt. Het ontstaat vooral door anaerobe (zuurstofloze) afbraak van organisch materiaal zoals voedselresten, tuin- en groenafval en papier. Stortgas bestaat hoofdzakelijk uit methaan en kooldioxide, en kleinere hoeveelheden andere gassen zoals stikstof, zuurstof, waterstofsulfide en vluchtige organische stoffen (VOS).
Vergistingsgas is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gedefinieerd als: gasvormige brandstof, met als hoofdbestanddelen methaan en kooldioxide, dat is ontstaan door vergisting van organisch materiaal. Dit is een standaardbrandstof voor verbranding in een stookinstallatie waarvoor geen vergunningplicht geldt.
CFK-concentraties nemen af
Stortgas valt onder de definitie van vergistingsgas. Stortgas kan daarnaast andere (gasvormige afval)stoffen bevatten. Zo kunnen via het stortgas CFK's vrijkomen. Dit komt vooral voor bij oude stortplaatsen doordat diverse CFK-houdende producten zoals spuitbussen (blaasmiddelen) en koelkasten (koelmiddelen) in het verleden gestort werden. De concentraties aan CFK's nemen af. Dat komt doordat CFK's steeds minder worden toegepast, en koelkasten op een verantwoorde wijze worden ontmanteld en niet meer gestort.
Maatwerkvoorschriften of eisen aan emissiegrenswaarden
Voor het verstoken van een brandstof zoals stortgas kan het bevoegd gezag desgewenst maatwerkvoorschriften Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) opstellen op basis van artikel 2.13 van het Bal. Met maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag bijvoorbeeld eisen stellen aan het affakkeldebiet van stortgas. Het affakkeldebiet is de hoeveelheid gas die bij een industriële installatie naar een fakkel wordt gestuurd om verbrand te worden. Of het kan eisen stellen aan emissiegrenswaarden voor de andere gasvormige (afval)stoffen bij het gebruik van stortgas in een stookinstallatie. Zie ook Inhoudelijke regels kleine en middelgrote stookinstallaties voor standaard brandstoffen (paragraaf 4.126 Bal).
Natuur
Klepelmaaier en gedragscode
Is een gedragscode flora- en fauna-activiteit mogelijk voor een klepelmaaier, vroeg een medewerker van een waterschap zich af. Wij hebben geantwoord: nee, in principe niet.
Een klepelmaaier, meestal bevestigd voor of achter een tractor, wordt gebruikt bij het maaien van onder andere bermen langs wegen en watergangen. De klepelmaaier kan hoog opgaand gewas maaien en heeft geen last van obstakels zoals dikke takken. De klepelmaaier hakt de begroeiing fijn met behulp van roterende klepels of draaiende stalen cilinders. De plantenresten blijven liggen, wat leidt tot voedselverrijking van de bodem en een laag halfverteerde plantenresten die tegengaat dat zaden ontkiemen. Gebruik van de klepelmaaier (klepelen) geldt daarom als nadelig voor de biodiversiteit.
Een gedragscode geeft een beschrijving hoe een flora- en fauna-activiteit zodanig te verrichten is dat die geen invloed heeft op flora en fauna. Voert iemand een flora- en fauna-activiteit uit volgens een aangewezen gedragscode? Dan is er geen omgevingsvergunning nodig.
Voor bijvoorbeeld het maaien van graslanden of bermen is een gedragscode mogelijk. Alleen niet als dat gebeurt met een klepelmaaier. Dat volgt uit bijlage I van de Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden. Een gedragscode is alleen in specifieke gevallen mogelijk voor klepelen als dat de enige optie is (bijvoorbeeld vanwege de veiligheid van de uitvoerder) en deze optie landelijk toe te passen is. Daar is een goede onderbouwing voor nodig.
Meer informatie
Systematiek milieubelastende activiteiten
Gelijkstelling huishoudelijk afval aan bedrijfsafval
De Wet milieubeheer (Wm) is voor een aantal onderwerpen van kracht gebleven na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zoals hoofdstuk 10 Wm over afvalstoffen. Zie hiervoor de pagina Wet milieubeheer na inwerkingtreding Omgevingswet. Artikel 10.36 Wm stelt dat afgegeven (of ingezameld) huishoudelijk afval gelijk wordt gesteld met bedrijfsafval. We kregen de vraag of dit ook geldt voor paragraaf 3.5.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Die paragraaf gaat over het verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. Beschouwt paragraaf 3.5.11 van het Bal afgegeven (of ingezameld) huishoudelijk afval als bedrijfsafvalstof?
Ja, dat klopt als het om ongevaarlijk afval gaat. Artikel 10.36 Wm staat los van het Bal. Maar in het Bal is de indeling van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen op een vergelijkbare manier geregeld. Alleen dan via de definities ervan in het Bal en de Omgevingswet. We hebben het kort uitgelegd op de pagina Milieubelastende activiteit verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen (paragraaf 3.5.11 Bal), onder de tussenkop 'Wat zijn bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen'.
Afgegeven (of ingezameld) huishoudelijk afval kan ook gevaarlijk afval zijn. Paragraaf 3.5.11 van het Bal beschouwt afgegeven (of ingezameld) huishoudelijk afval dan als gevaarlijke afvalstof.
En ook al valt het verwerken van afgegeven (of ingezameld) huishoudelijk afval in principe onder paragraaf 3.5.11, het kan alsnog onder een uitzondering en dus niet onder die paragraaf vallen. Zie daarvoor onze uitleg op Wat valt niet onder het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen?.
Systematiek Omgevingswet en Ruimte
Programma vooruitlopend op verplicht volkshuisvestingsprogramma
Onder de Omgevingswet zijn vrijwillige, onverplichte en verplichte programma's mogelijk. De procedure-eisen kunnen verschillen per type programma. Onze helpdesk beantwoordt regelmatig vragen over procedurele en inhoudelijke voorwaarden van de verschillende typen programma's. Het thema volkshuisvesting staat daarbij steeds vaker in de belangstelling.
Verplicht volkshuisvestingsprogramma
De Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv) en bijbehorende uitvoeringsregelgeving treedt naar verwachting in de 2e helft van 2026 in werking. Dat betekent dat gemeenten, provincies en het Rijk verplicht worden om een volkshuisvestingsprogramma op te stellen. Daarin werken zij concrete maatregelen en plannen uit, om zo de doelen en ambities van het volkshuisvestingsbeleid te realiseren.
Vooruitlopen met vrijwillig programma
Vooruitlopend op deze verplichting kunnen overheden al vrijwillig een programma vaststellen. We bevelen sterk aan om daarbij al te voldoen aan de inhoudelijke instructieregels over het volkshuisvestingsprogramma die het Besluit versterking regie volkshuisvesting aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) toevoegt. Want in het wetsvoorstel Wvrv staat een overgangsregeling (artikel VII, lid 3). Daarmee worden een programma op basis van de Omgevingswet of een woonvisie op grond van de Woningwet, die voldoen aan de instructieregels van het Bkl, gelijkgesteld aan een volkshuisvestingsprogramma.
Daarnaast bevelen wij aan om het vrijwillig programma op te stellen met toepassing van het TPOD-programma en te publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Daarmee vergroot u de kenbaarheid van het programma. En u voorkomt ermee dat u het later, bij een wijziging van het volkshuisvestingsprogramma, alsnog in zijn geheel moet omzetten naar het TPOD-programma.
Meer informatie
- Instrumenten Omgevingswet: programma | Informatiepunt Leefomgeving
- Volkshuisvestingsprogramma | Informatiepunt Leefomgeving
- Wet Versterking regie volkshuisvesting | Volkshuisvesting Nederland
- Novelle en besluit Wet regie volkshuisvesting naar Kamer | Rijksoverheid.nl
- Wet versterking regie volkshuisvesting (36.512) | Eerste Kamer der Staten-Generaal
Water
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) in relatie tot Omgevingswet
Een omgevingsdienstmedewerker stelde ons een vraag over de Wet gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de Omgevingswet. In het kort wilde zij weten of de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) een uitputtende regeling is wat betreft het onderwerp 'gezondheid' in relatie tot gewasbeschermingsmiddelen. En of daarmee de Omgevingswet voor dit onderwerp niet van toepassing is.
De regels uit de Europese verordeningen EG 1107/2009 en EG 528/2012 zijn omgezet in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat regels over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en gebruiksvoorschriften. In de Wgb is geen grondslag opgenomen voor gemeenten om regels te stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De grondslag hiervoor volgt uit de Omgevingswet.
Wbg alleen bedoeld voor toelating en gebruiksvoorschriften
De Omgevingswet is inderdaad niet van toepassing op onderwerpen over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld. De Wgb is alleen uitputtend bedoeld voor de toelating van middelen tot de markt en generieke gebruiksvoorschriften. Dit blijkt onder meer uit het feit dat het Rijk in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels heeft gesteld over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van oppervlaktewateren. Zie de volgende pagina's:
- Inhoudelijke regels lozen Gebruik gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen op braakliggend landbouwgrond of bij het telen van gewassen in de openlucht (paragraaf 4.64 Bal). Deze pagina begint met de volgende vaststelling: Tijdens het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kunnen door verwaaiing van druppeltjes (drift) gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater komen. Dit wordt gezien als een lozing in oppervlaktewater.
- Gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewateren (achtergrondpagina).
Position paper Ctbg
Verder heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) recent een Position paper Ctgb – van toelating naar afweging gepubliceerd. Het Ctgb schrijft hierin: 'De toelatingssystematiek is niet bedoeld voor het reguleren van gebruik, ruimtelijke keuzes of belangenafwegingen. Juist in Nederland, waar landbouwpercelen en woongebieden dicht bij elkaar liggen, vraagt dit soms om aanvullende maatregelen. Zorgen van omwonenden kunnen niet worden weggenomen door enkel te verwijzen naar een toelating. Het gaat om keuzes over lokale context, maatschappelijke wenselijkheid en het wegen van belangen van telers en omwonenden. De verantwoordelijkheid voor deze keuzes ligt bij beleidsmakers van het Rijk, provincies en gemeenten, niet bij een uitvoeringsorganisatie als het Ctgb.'
Conclusie
De conclusie is dus dat de Wgb voor ruimtelijke keuzes niet uitputtend is. Het Rijk en decentrale overheden hebben op grond van de Omgevingswet de bevoegdheid om het gebruik te reguleren. Zo kunnen ze rekening houden met de lokale omstandigheden en de ruimtelijke ordening.
Feiten en cijfers
Website en helpdesk
- De IPLO-website had in februari 570.966 paginaweergaven en 212.705 sessies.
- Aan de helpdesk zijn 2.310 vragen gesteld.
Verdeling vragen per onderwerp in februari 2026
De vragen gingen over de volgende onderwerpen:
- Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) 33%
- Bodem 11%
- LAVS 9%
- Systematiek Omgevingswet en Ruimte 9%
- Bouw 8%
- Water 6%
- Systematiek milieubelastende activiteiten 5%
- Veiligheid 3%
- Geluid 3%
- Andere milieuthema's* 8%
- Overig** 5%
Taartdiagram van verdeling vragen aan IPLO in februari 2026

* Andere milieuthema's: Veehouderij, Lucht en geur, Energiebesparing, Natuur, Asbest, Luchtkwaliteit, Trillingen, Gezondheid
**Overig: Ruimtelijke plannen, invoeringsondersteuning, algemeen, overig, onbekend
Stel uw vraag aan een expert van IPLO
Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) is het kenniscentrum van de overheid dat uitleg geeft over de Omgevingswet, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de regelgeving voor de leefomgeving. Op de website geven onze experts informatie over deze onderwerpen. En via de helpdesk beantwoorden we vragen van gemeenten, provincies, waterschappen en brancheorganisaties. Onze helpdesk is bij voorkeur bereikbaar via het vragenformulier.
Ondernemers en inwoners met vragen over de Omgevingswet, het Omgevingsloket en de leefomgeving kunnen terecht bij hun gemeente.
Bodemgevoelig gebouw
Bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze begripsbepaling staat in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Artikel 5.89g, Bkl, verstaat onder bodemgevoelig gebouw:
- een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
- een woonschip of woonwagen.
Een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als bodemgevoelig gebouw.
Meer informatie
Lees meer over het begrip op de pagina over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.
Gerelateerd begrip
Bijlage I, Besluit bouwwerken leefomgeving, verstaat onder bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
Bodemgevoelige locatie
Bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze begripsbepaling staat in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
Artikel 5.89h Bkl verstaat onder bodemgevoelige locatie:
- de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
- een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, of
- een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein
Meer informatie
Lees meer over het begrip op de pagina over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.
Derogatie
Het krijgen van derogatie voor de Nitraatrichtlijn betekent dat agrarische bedrijven meer stikstof uit dierlijke mest mogen toepassen dan de norm van 170 kilo stikstof per hectare. Dat mag alleen als 80 procent van de oppervlakte van het bedrijf uit grasland bestaat.
Maatwerkvoorschrift
Maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5, Omgevingswet. Deze begripsbepaling staat in de bijlage bij de Omgevingswet.
Artikel 4.5, Omgevingswet bepaalt dat het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift een algemene regel voor een activiteit in een concrete situatie specifiek kan maken.